| Abstract |
De regulatie van de erythropoiese verloopt in belangrijke mate via
een humorale regulator. Deze wordt erythropoietine genoemd, en heeft
een specifieke stimulerende werking op de erythropoiese, waarschiinliik
in hoofdzaak door de inductie van erythroide differentiatie in een niet
geîdentificeerde primitieve hemopoietische cel. Bii de productie van
erythropoietine speelt de nier een niet volledig opgehelderde rol. Het
hormoon gedraagt zich in serum en urine als een glycoproteïne waarvan
de relatieve molecuulmassa ongeveer 30.000 bedraagt.
De veronderstelling dat een humorale factor de erythropoiese stimuleert
werd in 1906 voor de eerste maal geformuleerd. Enkele jaren na de
definiëring van een hormoon door Bayliss en Sterling (1902) concludeerden
Carnet en Deflandre (1906a, b) uit een reeks experimenten tot het
bestaan van een dergelijke factor, die zij hemopoietine noemden. Ze
bestudeerden het effect van intraveneuze toediening van serum van gebloede
konijnen bii normale konijnen: " ... Dans un de nos cos, par
exemple, un lapin neuf, dont Ie song comprenait, d 1 une façon assez
constante, 5 millions et demi d 1 hématies par millimètre cube, après
avoir reçu, en injection intraveneuse, 9 cm3 de sérum (recueil I i, chez
un autre lap in, 20 heures après une saignée de 30 cm3)r eut une hyperglobulie
telle que le nombre des hématies atteignait 8 millions Ie lendema
in, plus de 9 millions Ie surlendemain, près de 12 millions Ie trais-
Ieme jour, . . . Dit verbazend grote effect kan zeker niet zijn veroorzaakt
door erythropoietine, terwijl hun bevinding, dat de serumfactor
bij verwarming tot 56°C werd geïnactiveerd, niet tot de thans bekende
eigenschappen van erythropoietine behoort. Hun derde conclusie, dat
de stimulerende activiteit van het serum 20 uur na de bloeding maximaal
is, stemt echter wel ongeveer overeen met latere onderzoekingen. |