| Een van de grote uitdagingen voor de operaregie is de manier waarop met het tijdverloop moet worden omgegaan. Terwijl de theaterregisseur betrekkelijk veel vrijheid kent, is de operaregisseur sterker afhankelijk van de tijdstructuur die vooral de muziek hem oplegt. In zijn onderzoek geeft Erik Laeven een theaterwetenschappelijke lezing van dergelijke structuren in operapartituren. Hiertoe bouwt hij voort op de zogeheten tensieve semiotiek van Fontanille en Zilberberg, een methode om spanning te beschrijven. Laeven gaat eerst in op de vraag welke soort betekenissen drama, muziek en opera afzonderlijk in zich dragen. Vervolgens behandelt hij de tijdstructuur in deze genres. Dit resulteert in een analytische benadering die is toegepast op vier opera s: L Incoronazione di Poppea (1643) van Monteverdi, Les Huguenots (1836) van Meyerbeer, Pelléas et Mélisande (1902) van Debussy en La Délivrance de Thésée (1927) van Milhaud. Door de tijdstructuren in deze werken te analyseren is het mogelijk aan te geven hoe de focus van het verhaal en de zich voltrekkende handelingen verschuift. Op basis hiervan zijn de implicaties voor mogelijke ensceneringen aan te geven. Laevens onderzoek levert een bijdrage aan de ontwikkeling van de tensieve semiotiek, en aan de operadramaturgie vanuit een theaterwetenschappelijk perspectief. |