| De wetenschappelijke revolutie van de 17de eeuw heeft voor grote veranderingen gezorgd in ons beeld van de natuur en in onze opvatting van wetenschappelijke kennis. De filosofie van Arnout Geulincx (1624-1669) laat zien dat het in de (vroeg-)moderne tijd moeilijker werd om te handhaven dat wetenschappelijke kennis betrekking heeft op de objectieve werkelijkheid. Dat stelt Mark Aalderink in zijn proefschrift over filosofie en wetenschappelijke kennis in het Cartesianisme. De filosofie van René Descartes (1596-1650), de grondlegger van het Cartesianisme, is een filosofische uitwerking van het nieuwe wereldbeeld dat in de 17de eeuw ontstond. Behalve de natuurfilosofie veranderden in die tijd ook de opvattingen over wetenschappelijke kennis, de voorwaarden voor de wetenschappelijkheid van begrippen, en het doel van de filosofie. Bij Descartes ontbreekt een uitgewerkte theorie van wetenschappelijke kennis en begripsvorming. De Cartesiaan Arnout Geulincx (1624-1669) stelt deze thema's juist centraal. Aalderink betoogt dat Geulincx theorie deels voortvloeit uit een doordenking van de filosofie van Descartes. Menselijk verstand Geulincx grijpt terug op de Aristotelische filosofie, die hij combineert met de Cartesiaanse filosofie en het Platonisme. Dit leidt, aldus Aalderink, tot een hoogst originele en typisch moderne opvatting van wetenschappelijke kennis, waarin de activiteit van het verstand een centrale rol speelt bij het vormen van begrippen en oordelen over de werkelijkheid. Wetenschappelijke kennis wordt niet meer gezien als iets wat betrekking heeft op de objectieve werkelijkheid, maar als een construct van de menselijke geest. |