KNAW

Research

The relationship between Community law, national law and international law

Pagina-navigatie:


Update Research data


Title The relationship between Community law, national law and international law
Period 01 / 2000 - 12 / 2004
Status Completed
Research number OND1276640

Abstract

The relationship between European and national law has always been a 'classic' theme of European legal research, but it has gained new importance in recent years. A number of developments in jurisprudence in particular have given rise to the question of the extent to which direct applicability is still the dominating concept determining the relationship between Community law and national law. Factors such as the acknowledged liability of member states for violations of Community law, independently of direct applicability, the acknowledgement of objective judicial review and the emphasis on the protection of rights (in itself a problematic concept, and one which is far from having a settled meaning in Community law), make it clear that the relationship between national law and Community law is much more complicated and multifaceted than was originally thought. Increasingly, this relationship is being further complicated by a 'third dimension', namely provisions from international treaties (whether or not concluded by the EC itself) which then work their way into both the European and the various national legal systems. In this way, international legal standards can penetrate international legal systems via Community law, independently of the way in which states have provided for their relationship to international law in their constitutions. Closely connected with this is a remarkable phenomenon which can be described as follows: it can be observed in various member states of the EU that the way in which traditional international law penetrates into national law is increasingly being shaped by the 'Community model'. In other words: the relationship existing between Community law and national law, and the doctrines relevant to it, are being carefully transplanted to the relationship between national law and international law, even where the latter has no connection with Community law. In some other member states on the other hand, it seems as though 'the EC experience' is leading to a certain hardening of attitudes on the penetration of international law. This project section will also include research into the themes of the EC freedoms and 'positive obligations' pursuant to Article 5 of the EC Treaty. In the context of the ECHR, the European Court of Human Rights has linked positive obligations to certain freedoms, and in particular in relation to Article 8 of the ECHR. These obligations relate to the operation of these freedoms in the relationship between individuals. Initially, these obligations were based on Article 1 of the ECHR, which obliges member states to guarantee the freedoms granted by the Treaty to everyone. Later, the obligations were based partly on the freedoms themselves. The EC Treaty also guarantees freedoms itself, which take effect in regulations and directives. The question may be asked whether these freedoms can in fact impose positive obligations on governments independently of any directive or regulation. Just as Article 1 of the ECHR acts as a portmanteau provision, Article 5 of the EC Treaty could also act in that way. This provision, which obliges member states to take all such general or particular measures as are appropriate to ensure compliance with EC law, is in fact primarily designed to apply to the relationship between the EC and the member state, however a certain tendency may be observed in the decisions of the Court of Justice to allow that Article 5 may also be invoked by citizen against the member state. In the decision of the ECJ of 9 December 1997 (Case C-265/95), the Court held that a member state may be obliged pursuant to Article 5 to take measures against individuals impairing the effectiveness of the rules on the free movement of goods. How far does this tendency actually go? What may this tendency mean for the penetration into the Dutch legal system of positive obligations arising out of the ECHR? To what extent are there differences and correspondences?

Abstract (NL)

De verhouding tussen Europees en nationaal recht is weliswaar een zeer ¿klassiek' thema van Europeesrechtelijk onderzoek, maar de laatste jaren heeft het opnieuw aan belang gewonnen. Met name dankzij een aantal jurisprudentiële ontwikkelingen, is de vraag gerezen in hoeverre rechtstreekse werking nog steeds het dominerend concept is dat de relatie tussen het Gemeenschapsrecht en het nationale recht beheerst. Onder meer de erkenning van de aansprakelijkheid van de lidstaten voor schendingen van het Gemeenschapsrecht, los van de rechtstreekse werking, de erkenning van de objectieve rechtmatigheidstoetsing en de nadruk op de bescherming van (subjectieve) rechten (op zich een problematisch begrip dat in het Gemeenschapsrecht nog lang niet is uitgekristalliseerd), maken duidelijk dat de verhouding tussen het nationale recht en het Gemeenschapsrecht veel gecompliceerder en meerzijdiger is dan aanvankelijk werd gedacht. Deze verhouding wordt nog eens in toenemende mate gecompliceerd door een ¿derde dimensie', namelijk die van bepalingen uit internationale verdragen (al dan niet door de EG zelf gesloten) die zowel binnen de Europese als binnen de diverse nationale rechtsordes doorwerken. Op die wijze kunnen internationaalrechtelijke normen via het Gemeenschapsrecht in de nationale rechtsorde doordringen, onafhankelijk van de wijze waarop de staten in hun constituties hun verhouding tot het volkenrecht hebben geregeld. In nauw verband hiermee staat een opmerkelijk verschijnsel dat als volgt kan worden geduid: in enkele lidstaten van de EU kan men waarnemen dat de wijze van doorwerking van het (traditionele) internationale recht in het nationale recht in toenemende mate wordt vorm gegeven volgens het ¿communautaire model'. Anders gezegd: de verhouding - en daarbij behorende leerstukken - die tussen het Gemeenschapsrecht en het nationale recht bestaat, wordt voorzichtig overgeplant naar de verhouding nationaal recht - internationaal recht, ook daar waar het laatste geen verband houdt met het Gemeenschapsrecht. In sommige andere lidstaten daarentegen, lijkt het alsof ¿the EC experience' tot een zekere verharding in houding ten opzichte van de doorwerking van het internationale recht heeft geleid. Bij dit deelproject zal tevens onderzoek worden gedaan naar de thematiek van de EG-vrijheden en ¿positieve verplichtingen' op grond van artikel 5 EG-Verdrag. In het kader van het EVRM worden door het Europese Hof van de Rechten van de Mens aan bepaalde vrijheden, en dan vooral artikel 8 EVRM, positieve verplichtingen gekoppeld. Zulke verplichtingen hebben onder meer betrekking op de werking van deze vrijheden in de verhoudingen tussen particulieren. Aanvankelijk werden deze verplichtingen gegrondvest op artikel 1 EVRM dat de lidstaten verplicht de door het Verdrag verstrekte vrijheden aan een ieder te verzekeren. Later werden deze verplichtingen (mede) gebaseerd op de vrijheden zelf. Ook het EG-verdrag garandeert vrijheden, die uitwerking krijgen in verordeningen en richtlijnen. De vraag kan worden gesteld of deze vrijheden niet, los van enige richtlijn of verordening, de overheid positieve verplichtingen kunnen opleggen. Zoals in het EVRM artikel 1 als kapstok dient, zo zou in het EG-verdrag artikel 5 als kapstok kunnen fungeren. Deze bepaling, die de lidstaten voorschrijft alle algemene of bijzondere maatregelen te nemen welke geschikt zijn om de nakoming van EG-recht te verzekeren, is weliswaar in eerste instantie toegesneden op de verhouding EG versus lidstaat, maar in de jurisprudentie van het Hof van Justitie lijkt een zekere tendens te bespeuren dat artikel 5 ook door een burger tegen een lidstaat kan worden ingeroepen. In HvJ EG 9 december 1997 (Zaak C-265/95) oordeelde het Hof dat een lidstaat op grond van artikel 5 verplicht kan zijn om maatregelen te nemen tegen particulieren die afbreuk doen aan de effectiviteit van de regels inzake het vrij verkeer van goederen. In hoeverre zet deze tendens zich door? Wat betekent deze tendens mogelijkerwijs voor de doorwerking in de Nederlandse rechtsorde van positieve verplichtingen die voortvloeien uit het EVRM? In hoeverre zijn er verschillen en in hoeverre overeenkomsten?

Related organisations

Related people

Classification

A83000 Legal order
D41000 Science of law

Go to page top
Go back to contents
Go back to site navigation