| Absorptiecapaciteit is het vermogen van een bedrijf om externe informatie, die nieuw is voor het bedrijf, om te zetten in innovatie van producten, processen en diensten. Dit is een speciale vorm van organisatieleren. Tot nu toe is absorptiecapaciteit voornamelijk onderzocht in relatie tot grote bedrijven. De kosten voor Research & Development worden gebruikt als indicator voor het leervermogen, waarbij de redenering is dat hoge uitgaven gelijk op gaan met het vangen van veel relevante externe informatie. Van de middelgrote architecten- en ingenieursbureaus (10-100 werknemers) heeft echter minder dan de helft R&D-uitgaven. Terwijl het grootste deel van de innovaties juist voor rekening komt van het midden- en kleinbedrijf. Promovendus Jan Waalkens gebruikt in zijn onderzoek drie alternatieve indicatoren: de competentie van het bedrijf, de mate van contractueel geregelde samenwerking en het gebruik van externe informatie. Naarmate een bedrijf hoger scoort op deze indicatoren, is het meer bezig met nieuwe producten, diensten en processen. Volgens Waalkens is het verbeterproces van producten, diensten en processen vooral intern gericht, en speelt externe informatie een belangrijke rol als het gaat om geheel nieuwe producten, processen of diensten. De basis van absorptiecapaciteit is interne competentie. Het is niet zo dat een geringe interne competentie gecompenseerd kan worden door buiten veel te halen. Als een organisatie veel externe informatie gebruikt, dan versterkt externe informatie de interne competentie, en is de organisatie relatief veel met innovatie bezig op het niveau van het bedrijf. Het gebruik van informatie uit netwerken is dus een bron van innovatie. |