| Abraham de Koning (1586-1619) was een literair experimentator, die de vernieuwingen in de vroegzeventiende-eeuwse Amsterdamse (toneel)wereld op de voet volgde en ook op de maatschappelijke ontwikkelingen in de Republiek reageerde. De negen drama's die hij als factor van de Brabantse kamer 'Het Wit Lavendel' tussen 1610 en 1618 schreef, zullen in mijn onderzoek getoetst worden om de poëticale ontwikkelingen van de vroege zeventiende eeuw nader te kunnen typeren en om de opiniërende kracht die in de Bestandsjaren aan literatuur werd toegekend in beeld te brengen. In de laatste decennia heeft het cultuur- en literairhistorisch onderzoek aangetoond dat het karakter van het vroegmodernere toneel niet strikt aristotelisch was (Smits-Veldt 1986, 1991). Er is op zijn minst een fase geweest waarin het rederijkerstoneel langzaam evolueerde in retorisch-didactische richting, waarbij de auteurs zich vooral baseerden op de denkbeelden van Scaliger en Heinsius enerzijds en humanisten als Lipsius, Coornhert en Spiegel anderzijds. De drama's uit de Bestandsjaren lijken tot die fase te behoren, zoals recente studies naar Bredero (Grootes 1997, Schenkeveld-van der Dussen 1985), Coster (Smits-Veldt 1986) en Rodenburgh (Abrahamse 1997) bewezen hebben. Daardoor is het beeld van het renaissancistische toneel, dat voorheen toch vooral op de drama's van Hooft en Vondel gebouwd was, behoorlijk genuanceerd. Daarbij is gebleken dat juist werk van relatief onbekende auteurs, zoals Coster en Rodenburgh, belangrijke bouwstenen voor de interpretatie oplevert. Daarom is het nu van belang dat het werk van Abraham de Koning onderzocht wordt. Om de poëtica van De Koning en de maatschappelijke standpunten die hij met zijn werk wilde innemen te achterhalen, moet in eerste instantie een analyse plaatsvinden vanuit retorische en moraalfilosofische invalshoek. Bij deze analyse zal de aard en de mate van de lering van groot belang zijn. Het vroege renaissancetoneel kenmerkt zich immers door nadruk op de componenten copia en varietas: veel en gevarieerde lering. Een ander aspect dat bijzondere aandacht in mijn onderzoek zal krijgen, zou ik de 'coderingstechnieken' van De Koning willen noemen. Hiermee bedoel ik de manier waarop achterliggende levensbeschouwingen via de teksten zichtbaar worden. Elementen die hier aan de orde moeten komen zijn bijvoorbeeld 'eer', 'plicht', 'gehoorzaamheid' en 'loyaliteit'. Op abstracter niveau gaat het dan om de verhouding tussen rede en hartstocht en het heil of onheil dat daarvan te verwachten valt. De Koning lijkt zijn opvattingen over mens, maatschappij en leven vooral te coderen in de toepassing van humor en in man/vrouwpatronen. De genderstudie, deconstructie en semiotiek leveren nuttige methoden ter 'decodering'. Mijn onderzoek zal zich met name moeten richten op de drie grote bijbelse drama¿s Achabs treur-spel (1610), Iephthahs ende zijn eenighe dochters treur-spel (1615) en Simsons treur-spel (1618). Deze teksten zijn de omvangrijkste in het oeuvre van De Koning en buitengewoon geschikt voor een vergelijkende analyse. Het overige werk zal gebruikt worden om de bevindingen over de drie grote drama's te toetsen, waardoor het onderzoek verder verdiept wordt. Het uiteindelijke doel van deze studie is echter niet zozeer een typering van het werk van De Koning, maar een typering van de zeventiende-eeuwse poëtica. De recente onderzoeksliteratuur biedt stof genoeg voor een vergelijking van De Koning met zijn collega's en voor een abstractere confrontatie met doel en werking van de drama's in het spanningsveld tussen literatuur en werkelijkheid. |