KNAW

Onderzoek

Syntactic and phonological processing in developmental dyslexia

Pagina-navigatie:


Wijzig Onderzoekgegevens


Titel Syntactic and phonological processing in developmental dyslexia
Looptijd 11 / 1999 - 06 / 2004
Status Afgesloten
Dissertatie Ja
URL http://www.rug.nl/let/onderzoek/onderzoekinstituten/clcg/projects/syntactic_proc_in_child
Onderzoeknummer OND1282461

Samenvatting

Drie tot tien procent van de Nederlanders heeft in meer of mindere mate last van ontwikkelingsdyslexie. Zij hebben een normale intelligentie, maar moeite met lezen en schrijven. Judith Rispens heeft onder andere onderzocht in hoeverre dyslexie tot uiting komt in gesproken taal. Ik wilde weten of het mogelijk is om op basis van spraak te bepalen is of iemand dyslectisch is. Op het ogenblik kunnen we pas signaleren dat een kind dyslectisch is als het leert lezen. Vaak duurt het dan een jaar of twee voordat wordt ingegrepen. Ondertussen heeft het kind al een flinke achterstand opgelopen en is het al die jaren gewend geraakt om de slechtste van de klas te zijn. Niet alleen met lezen, maar ook met andere vakken die talig worden aangeboden. Foute zinnen Met behulp van werkwoordsvervoegingen testte Rispens bij dyslectische kinderen van vijf en acht jaar of zij foutieve zinnen herkenden. Dezelfde testen voerde ze uit bij groepen niet-dyslectische kinderen en volwassenen en kinderen met een ernstige taal- en spraakstoornis. Ik heb eerst gekeken naar het gedrag van deze groepen. Iemand die niet dyslectisch is, weet binnen ongeveer 600 milliseconden dat zinnen als "het meisje lachen" of "de clowns loopt" fout zijn. Dyslectische kinderen hebben over het algemeen meer moeite om te herkennen of dergelijke zinnen fout of goed zijn en kinderen met een taalstoornis hebben er nog meer moeite mee. Ik heb dat vervolgens gemeten met behulp van een EEG-onderzoek bij volwassenen. Met name bij hen merk je bijna geen verschil in scores op zo n taak. Uit de EEG blijkt wel degelijk dat dyslectische volwassenen iets langer doen over het herkennen van foutieve werkwoordsvervoegingen. Losstaande stoornis Een bekende aanname is dat dyslectische kinderen vanwege hun dyslexie minder lezen en daardoor verder achterlopen met gesproken taal dan nodig is. Rispens: Het idee is dat het bevorderlijk is voor je taalontwikkeling om veel te lezen. Zodat je bijvoorbeeld typisch geschreven constructies als passieve zinnen leert gebruiken. Uit mijn onderzoek blijkt dat de grammaticale problemen bij kinderen met dyslexie daar los van staan. Natuurlijk is het goed voor dyslectische kinderen om het lezen te trainen, maar het is niet zo dat leeservaring per se leidt tot een verbetering in de grammaticale vaardigheden. Ongeacht hun leeservaring blijven dyslectische kinderen meer moeite houden met werkwoordsvervoegingen. Dat verschil zie je al als je kleuters met en zonder een verhoogde kans op dyslexie, maar die geen leeservaring hebben, met elkaar vergelijkt. Klanken en letters Om te leren lezen is het van belang dat kinderen leren letters te koppelen aan klanken. Dyslectische kinderen hebben grote moeite met rijmen en klankspelletjes, zegt Rispens. Ze vinden het moeilijk om de koppeling tussen letters en klanken in hun verbale geheugen vast te houden. Dat merk je bijvoorbeeld als je vraagt non-woorden na te zeggen. De problemen met klanken zouden volgens de onderzoekster de bron kunnen zijn voor problemen met werkwoordsvervoeging. Zo zijn werkwoordsvervoegingen gerelateerd aan het klanksysteem. De vervoeging voor verleden tijd hangt bijvoorbeeld af van de laatste klank van de werkwoordsstam. Stemhebbend krijgt een d (huilen-huilde), stemloos een t (bakken-bakte). Rispens: Uit mijn onderzoek blijkt dat scores op fonologische taken de score op zo n werkwoordvervoegingsstaak voorspellen. In de testen scoren kinderen met dyslexie lager dan kinderen zonder dyslexie op de fonologische en werkwoordsvervoegingsstaak, maar weer hoger dan kinderen met een taalstoornis. Uit het EEG-onderzoek blijkt dat ook volwassenen problemen met werkwoordsvervoeging ondervinden: hun hersenen lijken wat trager te reageren op het herkennen van fouten en ook het gebied waarin dat gebeurt, lijkt wat beperkter vergeleken met volwassenen zonder dyslexie. Vroeger dyslexie herkennen Rispens vindt het belangrijk dat de uitkomsten van haar onderzoek in de praktijk kunnen worden gebracht. Als je kleuters die nog niet kunnen lezen fonologisch of grammaticaal kunt onderzoeken, kun je misschien op veel jongere leeftijd al constateren dat ze dyslectisch zijn. Als je vervolgens die kleuters fonologisch en grammaticaal gaat trainen, is het wellicht mogelijk om hun taalachterstand te beperken, zodat ze uiteindelijk beter leren lezen. Hiervoor is meer onderzoek nodig. Positief noemt ze het langlopende onderzoek naar kinderen met dyslectische ouders in Groningen, Amsterdam en Nijmegen. In het kader van dat onderzoek worden risicokinderen vanaf de babyleeftijd getest op auditieve en visuele prikkels. Het is nog toekomstmuziek, maar het zou prachtig zijn als dat onderzoek ertoe leidt dat baby's straks al op de consultatiebureaus kunnen worden getest op dyslexie.

Betrokken organisaties

Betrokken personen

Promotor Prof.dr. J. Hoeksema
Promotor Prof.dr. F. Zwarts
Projectleider Dr. P.H. Been
Promovendus Dr. J.E. Rispens

Classificatie

A84400 Cognitieve ontwikkeling, perceptie
D36000 Taal- en literatuurwetenschappen

Omhoog
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie