Philosophical Fundamentals: Sovereignty and Representation in...


Update content

Title Philosophical Fundamentals: Sovereignty and Representation in International Legal Development
Period 01 / 2000 - 12 / 2004
Status Completed
Research number OND1285781
Data Supplier METIS UvT


The central hypothesis of this project is that sovereignty is not an outdated conceptual structure that stands and falls with the nation state nor, more generally, with the exclusive power of command of a ruler who decides on the state of exception, but a necessary and elementary concept of a legal order that presents and justifies itself as a unity. This hypothesis deliberately takes exception with "new" approaches to the source of lawmaking, which speak all too easily about "multiple sovereignty," "interlocking sovereignties," "soft law," "negotiated law," and "legal pluralism." The question that is always at stake in sovereignty is what constitutes the ultimate unity of the multiplicity of lawmaking agencies and, above all, which agency actually posits and enforces this ultimate unity. Importantly, the acts of positing and enforcing unity must also have the form of an act justifying unity, rather than being opposed to it. The same problem emerges in numerous questions about the relation between government agencies (the legislature, the executive, and the judiciary). These relations involve sovereignty in the aforementioned sense, that is, not as an ultimate power of command over law, but as a power that can set (posit) and justify (legitimate) law, and that only on this basis can raise claim to being final. A third example of the importance of sovereignty is international legal developments. The priority of the legislature is not necessarily the priority of the national legislature. Yet, also European and global legal developments point to the necessity of the concept of sovereignty, precisely because law can only be positive law and, as such, must be posited authoritatively. This aspect distinguishes law from morality; indeed, moral reasons justify the irreducible difference between law and morality. A fourth example: the interweaving of legal orders poses the problem (historically speaking, since the beginning of modernity) of how power over law can also be understood as the right to power. Precisely this problem is at stake in philosophical discussions about sovereignty. The question here is whether there is at all a normative perspective whence a "highest power" could be thinkable that did not already include a reference to law. Contemporary philosophers (e.g. Lefort) refer to the necessity of a symbolic order posited by a determinate-bounded- polity, as an order that transcends the community and whence all exercise of power can be viewed as "legitimate." Although this is not the place to discuss the complexities of this issue, this insight suggests that the reference to a "world order" can only be symbolic and, thus, can only be posited by bounded (inclusive and exclusive) polities. Grafting an all- encompassing order onto a closed order is at the very least paradoxical and at worst a recipe for new (world) conflicts. In short, beginning from different contemporary legal contexts, this research project asks in which way sovereignty can be rid of the idea that an imperative necessarily implies a ruler who is by definition legibus solutus. In this sense, the project aims to renew and reconsider this fundamental concept. The guiding hypothesis of this conceptual renewal is that law must mediate between politics and ethics (Ricoeur), even in a scenario of globalization and political pluralism. In particular, it assumes that the exercise of legal power requires the institutional readiness of rulers to justify themselves vis-à-vis the ruled. The institutionalization of this readiness to justify the exercise of power is the core of the concept of democracy. Nonetheless, this insight does not determine the concrete organization of democracy; on the contrary: it opens up the possibility of considering forms of democracy other than parliament as the arena of political ideologies. This possibility should be exploited, amongst others, to critically examine (which is not the same as reject) the neo- corporatistic practices that as a matter of course have come to compensate for the loss of political ideology (and with it of social-ethical consciousness). European legal developments are a case in point, where access to an independent judiciary seems to be more important than a "European chatplace," and where the European Commission, as a result of powerful lobbying, seems to be more responsive to the power of market agents within the EC than to global external relations of the EC. This new project both continues and sharpens the thrust of the former research project, "Authority and Representation," which was part of a broader program, namely "The Interaction between Legislation and Society." In effect, the new project further focuses authority in terms of sovereignty and carries forward the inquiry into representation as a politico-theoretical and epistemological problem. From a politico-theoretical perspective, at issue is understanding how a multiplicity of social actors and interests can obtain recognition given the presupposed unity of the legal order and, vice-versa, how the articulation of these interests is preconditioned by the fact that they must be presented as a unity in view of obtaining recognition (and protection) as legal interests. Epistemologically speaking, the problem is that the unity of the legal order can only be cognized if this unity is posited through lawmaking (and in this sense "produced"), whereas the unity of the legal order must be founded (and in this sense "reproduced") in a reality that precedes lawmaking, if we are at all to speak about knowledge. In other words, the unity of the legal order can be neither purely a reproduction of an already (ideal) given reality (reconstruction) nor merely an artifact constructed from a plurality of preferences.

Abstract (NL)

Belangrijkste hypothese van het project `Wijsgerige grondslagen: soevereiniteit en representatie in de internationale rechtsontwikkeling' is dat `soevereiniteit' geen achterhaalde begripsstructuur is die staat of valt met de nationale staat, of (algemener) met de exclusieve bevelsmacht van een feitelijke machthebber over de uitzonderingstoestand, maar een noodzakelijk en elementair grondbegrip van een rechtsorde die zich als eenheid presenteert en verantwoordt. Deze hypothese staat bewust op gespannen voet met `nieuwe' benaderingen van de bron van wettelijke regelgeving, waarin onbekommerd gesproken wordt van `multiple sovereignty', van `interlocking sovereignties', van `soft law', `negotiated law' en `rechtspluralisme'. Steeds is immers de vraag wat de uiteindelijke eenheid in die veelheid van rechtsvormende instanties uitmaakt en - vooral - door welke instantie die uiteindelijke eenheid metterdaad gesteld en gehandhaafd wordt. Daarbij dient bedacht te worden dat dit stellen en handhaven niet tegenover, maar juist als verantwoording gestalte moet kunnen krijgen. Dezelfde problematiek speelt ook in de vele vragen die te stellen zijn bij de onderlinge verhouding van de overheidsmachten (wetgevend, besturend, rechtsprekend). Ook daar gaat het om soevereiniteit in de bovenomschreven zin: niet als een uiteindelijke bevelsmacht over het recht, maar als een macht die de eenheid van het recht stelt (positiveert) en verantwoordt (legitimeert), en die slechts daarom finaal kan zijn. Een derde voorbeeld van het belang van dit grondbegrip `soevereiniteit' wordt gevormd door de rechtsontwikkeling in internationaal verband. Het primaat van de wetgever is niet noodzakelijk het primaat van de nationale wetgever. Maar ook in het verband van de (tweevoudige) Europese en de mondiale rechtsontwikkeling stuit men telkens op de onvermijdelijkheid van het soevereiniteitsbegrip, juist omdat recht niet dan stellig recht kan zijn en dus niet zonder gezag gestalte kan krijgen. Het verschilt hierin op karakteristieke wijze van de moraal. Voor de onherleidbaarheid van dit verschil zijn overigens morele redenen aan te voeren. Een vierde voorbeeld: vervlechting van rechtsordes stelt (historisch gesproken al vanaf het begin van de Nieuwe Tijd) het probleem hoe de macht over het recht tegelijkertijd als een recht op de macht gedacht kan worden. Precies deze vraag is aan de orde wanneer vanuit een wijsgerige invalshoek over soevereiniteit gesproken wordt. Dan is immers onmiddellijk de vraag vanuit welk normatief perspectief `de hoogste macht' denkbaar is zonder dat het rechtsbegrip in dat perspectief al is opgenomen. Een aantal hedendaagse filosofen (bv. Lefort) wijst op de onontkoombaarheid van een symbolische orde die vanuit een bepaalde, d.w.z. begrensde samenleving geponeerd wordt als een aan die samenleving transcendente orde, vanwaaruit machtsuitoefening als `legitiem' kan worden gedacht. Zonder hier op alle problemen van deze stelling in te gaan, kan men de vraag stellen of hiermee niet al verondersteld is dat de verwijzing naar een `wereldorde' niet anders dan een symbolische kan zijn en steeds vanuit begrensde (dus insluitende en tegelijk uitsluitende) samenlevingen geponeerd kan worden. De hechting van een overkoepelende orde in een afgesloten orde lijkt op zijn minst paradoxaal en op zijn meest de bron van nieuwe (wereld- )conflicten. Anders en samenvattend gezegd: het deelproject stelt - in verschillende actuele juridische contexten - de vraag hoe `soevereiniteit' losgemaakt kan worden van de gedachte dat een imperatief noodzakelijk een imperator veronderstelt die per definitie `legibus solutus' is. In die zin gaat het om een herbronning of herijking van dit grondbegrip. De richting waarin deze herijking wil gaan wordt beheerst door de hypothese dat recht - ook in een situatie van mondiale internationalisering en politiek pluralisme - bemiddeling zal moeten zijn tussen politiek en ethiek (Ricoeur). In het bijzonder behelst zij de gedachte dat de uitoefening van rechtsmacht de geinstitutionaliseerde bereidheid tot verantwoording van regeerders ten overstaan van geregeerden veronderstelt. De institutionalisering van deze verantwoordingsbereidheid vormt de kern van het democratiebegrip. Daarmee is nog niets gezegd over de concrete vorm die deze institutie zou moeten aannemen. Integendeel: er is een ruimte mee geopend om te denken over andere vormen dan het parlement als arena van politieke ideologieën. Die ruimte dient mede benut te worden om een kritisch (wat niet wil zeggen: een afwijzend) oordeel te vormen over de neo-corporatistische praktijken die als vanzelf het verlies aan politieke ideologie (inclusief het daarmee verweven sociaal-ethisch besef) komen compenseren. Ook hierbij geven de Europeesrechtelijke ontwikkelingen in vele opzichten te denken (bijvoorbeeld de (door de lidstaten ondersteunde) toegang tot de onafhankelijke rechter blijkt belangrijker dan een Europees `praathuis'; de door een zware lobby belaagde Commissie blijkt gevoeliger voor de macht van marktpartijen binnen de EG dan voor mondiale externe betrekkingen). In vergelijking tot de oriëntatie van de rechtsfilosofische inbreng in een vorig programma ( Project `Representatie en autoriteit' binnen het programma `De wisselwerking tussen wetgeving en samenleving') wordt de problematiek van het rechtsgezag toegespitst op het begrip `soevereiniteit', terwijl de benadering vanuit de invalshoek `representatie' gehandhaafd blijft. Deze invalshoek wordt geanalyseerd in politiek-theoretische en kennis-theoretische zin. Politiek-theoretisch gesproken is de vraag hoe in de veronderstelde eenheid van de rechtsorde de veelheid van maatschappelijke actoren en hun belangen zich doet gelden, alsook omgekeerd: hoe de articulatie van die belangen bij voorbaat bepaald wordt doordat zij als een eenheid moeten worden voorgesteld om als rechtsbelangen erkenning (dus bescherming) te krijgen. Kennis-theoretisch gesproken dient zich het probleem aan dat de eenheid van de rechtsorde slechts gekend kan worden voorzover ze gesteld (en in die zin `gegeven', d.w.z. `gemaakt') wordt, terwijl omgekeerd de eenheid van de rechtsorde juist gegrond (`gegeven', d.w.z. af te lezen) zou moeten zijn in een werkelijkheid die aan het stellen voorafgaat om van kennis te kunnen spreken. Anders gezegd: de eenheid van de rechtsorde kan noch louter weerspiegeling zijn van een reeds (ideëel) gegeven werkelijkheid (reconstructie), noch louter maaksel uit een pluraliteit van voorkeuren. Trefwoord: Rechtsfilosofie

Related organisations

Related people


D32000 Philosophy
D41000 Science of law

Go to page top
Go back to contents
Go back to site navigation