| De gewoonte om illustraties op te nemen in boeken over kunst, blijkt ooit gestart in de achttiende eeuw. Toen was fotografie nog niet uitgevonden, maar maakten geleerden voor het eerst op grote schaal gebruik van reproducties in de vorm van prenten en tekeningen. Ingrid Vermeulen besteedt in haar proefschrift aandacht aan drie geleerden die aan de wieg stonden van de geïllustreerde geschiedenis van de kunst, Bottari (1689-1775), Winckelmann (1717-1768) en Seroux d Agincourt (1730-1814). Illustraties werden in die tijd niet gebruikt uit liefde voor mooi vormgegeven boeken, maar vanwege een nieuwe opvatting over de geschiedenis van de kunst. De wens om artistieke ontwikkelingen als het ware voor je te zien afspelen als in een stripverhaal en de overtuiging dat alleen op die manier de kunstgeschiedenis kon worden gekend, motiveerden de aanleg van reeksen illustraties in verzamelingen en boeken. In een goede reeks platen openbaarde het artistieke verleden zich pas echt. In haar proefschrift bespreekt Vermeulen de invloed van achttiende-eeuwse geleerden Bottari (1689-1775), Winckelmann (1717-1768) en Seroux d Agincourt (1730-1814). Hun toepassing van reproducties leverde een belangrijke, maar tot nog toe vrijwel vergeten bijdrage aan het vak kunstgeschiedenis. Zij experimenteerden in papieren verzamelingen met kunsthistorische ordeningen en met de aard van selecties. Ze bediscussieerden ook kwesties van kennerschap en de betrouwbaarheid van reproducties. Dankzij hun interesse voor afbeeldingen werd Michelangelo s Sixtijnse plafond, één van de hoogtepunten uit de Renaissance, voor het eerst gereproduceerd en opgenomen in een kunsthistorisch beeldverhaal. |