| In de verbreiding van de kerkelijke biecht hebben de vroegmiddeleeuwse boeteboeken een zeer belangrijke rol gespeeld. Boeteboeken zijn verzamelingen van bepalingen, waarin voor elke denkbare zonde een passende boete voorgeschreven is. De aard van de boete, een periode van vasten, het geven van aalmoezen, of het zingen van Psalmen, en de duur ervan kon variƫren al naargelang de zwaarte van de zonde en de intentie van de zondaar. De eerste boeteboeken werden geschreven in Ierse kloosters rond 600, waarna het genre zich in rap tempo over het Continent verspreidde. In de tiende eeuw nam het aantal nieuwe boeteboeken gestaag af. Na circa 1150 verdween het boeteboek vrijwel helemaal uit het kerkelijke leven. Het proefschrift van Adriaan Gaastra behandelt een kleine groep boeteboeken die in de nadagen van het genre geschreven zijn. Het gaat om teksten uit het midden en zuiden van Italiƫ, geschreven in de periode 1000-1100. Een belangrijke plaats in deze studie wordt ingenomen door het onderzoek naar de handschriften waarin de teksten te vinden zijn. Dit onderzoek is nodig om meer te weten te komen over de context waarin ze gebruikt werden. Ook is onderzocht in hoeverre de Italiaanse boeteboeken zich inhoudelijk onderscheidden van dergelijke teksten uit de rest van Europa. |