| Binnen het project vervult de casus 'Grieks' in zekere zin een spilfunctie omdat het Grieks de lingua franca is van intellectuelen op de zuidelijke Balkan in de 18e en vroege 19e eeuw; dit heeft te maken met de geprivilegieerde positie die de Fanariotische elite binnen het Ottomaanse Rijk bekleedt. Rigas Velestinlis is een Vlach, maar schrijft in het Grieks: een typische vertegenwoordiger van het verlichtingsdenken, bepleit hij een opstand van alle Balkan-volkeren (de Turken incluis!) gericht tegen de maatschappelijke ongelijkheid en inperking van fundamentele rechten - een opstand die geleid zou moeten worden door de Griekstalige bovenlaag. Rond 1800 krijgt het gedachtengoed van Griekse intellectuelen, zoals Adamantios Korais, een wat meer nationalistisch karakter, ten eerste omdat de verwezenlijking van een onafhankelijke Griekse staat vanwege de desintegratie van het Ottomaanse Rijk een reële mogelijkheid wordt, ten tweede onder invloed van het opkomende natie-denken in Europa. Bij Korais en latere Griekse intellectuelen gaat het nationale zelfbewustzijn gepaard met een duidelijke oriëntatie op de Ouden; op de Ionische eilanden, daarentegen, wordt er meer een link gelegd met de volkscultuur. Deze twee denkrichtingen, verlicht classicisme versus romantisch folklorisme, bepalen in grote mate het intellectuele debat tot diep in de 19e eeuw. De opstand van 1821 en de vorming van de Griekse staat in 1830 vormen een breuklijn in de intellectuele geschiedenis van Griekenland. Er ontstaat een scheiding der geesten tussen 'Helladieten' (inwoners van de Griekse staat) en 'Hellenen' (de overige Grieken): de eersten zijn erg op zichzelf gericht, de laatsten zijn internationaal georiënteerd. In feite is er sprake van een paradox: zolang Griekenland nog niet onafhankelijk was, namen de Grieken actief deel aan grensoverschrijdende intellectuele netwerken; maar na 1830 zijn het alleen nog de 'Hellenen' (zoals bijv. de nationale dichter Dionysios Solomos) die zich niet voor de buitenwereld afsluiten. |