| Hoe komt taalverandering tot stand en is het voorspelbaar? In zijn proefschrift probeert Arjen Versloot daar antwoorden op te geven aan de hand van een onderzoek naar de verzwakking van onbeklemtoonde klinkers in het Fries tussen ± 1300 en 1550. Voorbeelden van dergelijke verzwakking zijn te zien in de woorden: zetten (in het Oudfries setta , in het Modern Fries sette ) en zoon (in het Oudfries sone , in het Modern Fries soan ). In het proefschrift presenteert Versloot twee modellen van taalverandering. Het eerste gaat uit van duur en sterkte van klinkers in afzonderlijke woorden, niet van abstracte onderliggende fonemen. De volgorde en het ogenblik van verzwakking van klinkers blijkt dan met 95% nauwkeurigheid te voorspellen over een tijdvak van 200 jaar. In het tweede model wordt de taalgebruiker voorgesteld als een calculerende spreker , die rekening houdt met wat hij hoort van anderen, een inschatting maakt van hoe iets overkomt en tegelijk een beetje lui articuleert. Het model voorspelt de volgorde en het ogenblik van veranderingen in uitgangen van werkwoorden en zelfstandige naamwoorden waar klinkerverzwakking een rol speelt met meer dan 90% nauwkeurigheid. Deze uitkomsten voeden de gedachte dat taal een deterministisch, dynamisch systeem is, waarbij grammatica en zijn verandering het gevolg zijn van zelforganisatie in het taalsysteem. De modellen worden gevoed met gedetailleerde gegevens uit het laatmiddeleeuwse Friese taalmateriaal, met veel nieuwe gegevens over rekking in open lettergreep, vocaalbalans, vocaalharmonie en apocope/syncope. Daarbij blijkt ook dat het Fries van de 15e en 16e eeuw waarschijnlijk een toontaal was, net als het huidige Noors. |