| 1. Wat is de effectiviteit van griepvaccins met betrekking tot morbiditeit en mortaliteit? Is bij niet-gevaccineerden sprake van een hogere sterfte en een hogere frequentie van pneumonie, en van een groter zorgbeslag? 2. Wat is de doelmatigheid van landelijke griepvaccinaties; is er verschil in effectiviteit en doelmatigheid tussen de 2 in het jaar 2000 door het RIVM verstrekte verschillende producten? Griepvaccins worden jaarlijks aangemaakt aan de hand van de meest recente epidemiologische gegevens over de verspreiding en samenstelling van circulerende influenzastammen, volgens richtlijnen van de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO). Een injectie met griepvaccin wordt geacht tenminste 6 maanden tot een jaar bescherming te geven, beginnende 10-15 dagen na inenting. In ons land zijn 7 griepvaccins in de handel. Deze worden jaarlijks vervaardigd en geregistreerd naar aanleiding van een aangetoonde titerstijging bij 50 bejaarde en 50 niet-bejaarde volwassenen. Hiermee wordt verondersteld dat de werkzaamheid is aangetoond. Toch kan men hier vraagtekens bij plaatsen. Ten eerste is het mogelijk dat fabrikanten voor hun jaarlijks registratie-onderzoek dezelfde vrijwilligers gebruiken met een goede immunologische respons, hetgeen een vertekend beeld kan geven. Ten tweede behoeft een voldoende titerstijging niet noodzakelijkerwijze te zijn aangetoond tegen de circulerende stam van het komende seizoen (CPMP Note for Guidance [1]); dit betreft de formele eisen tot registratie van griepvaccins van de Europese registratie-autoriteiten). Ten derde vormt een titerstijging geen primaire maar een secundaire uitkomstmaat. De predictieve waarde van seroconversie voor klinische bescherming is niet ondubbelzinnig vastgesteld. Daarvoor is vooral het antwoord van belang op de vraag welk klinische gebeurtenis (voorkomen klinische influenza, vermindering secundaire complicaties zoals pneumonie, of reductie van mortaliteit) is gekozen als primair klinisch relevant eindpunt. Dergelijke uitkomsten, die een maat zijn voor de intrinsieke werkzaamheid van een vaccin, vormen de basis voor de effectiviteit van een vaccinatieprogramma. Deze effectiviteit wordt voor influenzavaccin tevens bepaald door de vaccinatiegraad en de correlatie tussen de vaccinstam en de circulerende stam. De werkzaamheid zou derhalve jaarlijks kunnen variëren. Ook is de effectiviteit van de verschillende producten onderling nooit vergeleken. Op advies van de Gezondheidsraad en de Inspectie voor de Gezondheidszorg worden vele ouderen (>65 jr) - al dan niet met risicofactoren - gevaccineerd ten laste van de 'Regeling Ziekenfondsraad subsidiëring programmatische preventie van influenza door griepvaccinatie'. Deze vaccins worden door het RIVM direct aan de huisartsen geleverd. Daarbij wordt doorgaans gebruik gemaakt van 2 verschillende produkten. De vaccinatiegraad van ouderen in Nederland zou volgens recente gegevens bijna 80% bedragen. Gezien de omvang van de landelijke preventie, is naast effectiviteit ook de meting van doelmatigheid van groot belang. Dit betekent dat - om inzicht te krijgen in de doelmatigheid van het programma - in de eerste plaats een beter inzicht dient te worden verkregen in de effectiviteit van het programma ten aanzien van de bovengenoemde primaire eindpunten. Vanuit het oogpunt van volksgezondheid wordt influenzavaccinatie bij ouderen (>65 jr) van groot belang geacht, gegeven het grote aantal dat jaarlijks griep krijgt en dat aan de gevolgen hiervan overlijdt. Toch is weinig bekend omtrent de effectiviteit van deze behandeling omdat grootschalig kwantitatief onderzoek in Nederland niet verricht is. In het bijgaande projectvoorstel wordt met behulp van 2 grote bestanden met geautomatiseerde huisartsengegevens, het IPCI- en het LINH-bestand, een studie verricht naar de mortaliteit bij 21.000 niet-gevaccineerde ouderen (>65 jaar) en 42.000 gevaccineerde leeftijdsgenoten gedurende een studieperiode van 1 jaar. Hierbij wordt gestratificeerd naar het al dan niet voorkomen van risicofactoren, zoals diabetes mellitus, respiratoire en cardiovasculaire aandoeningen. Tevens wordt hierbij een vergelijking gemaakt tussen het aantal patiënten met pneumonie en/of influenza bij niet-gevaccineerden en gevaccineerden en wordt het zorgbeslag (bezoeken huisarts, aantal geneesmiddelen, verwijzingen, ziekenhuisopnames en duur van opnames) in relatie tot influenza en de hieraan verbonden kosten met elkaar vergeleken. Omdat de verschillen in werkzaamheid en doelmatigheid tussen verschillende influenzavaccins nooit zijn bestudeerd, verrichten we tevens een naar huisartspraktijk gerandomiseerde studie. Hierin wordt bepaald of de bovengenoemde uitkomsten verschillen tussen ouderen, die met RIVM-1 of RIVM-2 vaccin worden behandeld. |