| Een verteller varieert in hoe hij het verhaal presenteert: nu eens beschrijft hij de omgeving waarin het verhaal zich afspeelt, dan weer vat hij gebeurtenissen samen. In haar proefschrift 'Discourse Modes and Bases, The Use of Tense in Vergil s Aeneid' laat Suzanne Adema zien hoe deze verschillende manieren van presenteren samenhangen met het gebruik van werkwoordstijden. Door te variëren in tijd kun je één feit op verschillende manieren presenteren: er is een stad geweest klinkt anders - informatiever - dan er was een stad , dat veel eerder het begin is van een sprookje of van een beschrijving van die stad. Adema bespreekt in haar proefschrift hoe de tijden uit het Latijnse werkwoordensysteem in de Aeneis (1e eeuw v. Chr, Vergilius) worden ingezet om het verhaal te vertellen over de Trojaan Aeneas. In dit epos wordt het verhaal door middel van verschillende werkwoordstijden beschrijvend, becommentariërend en vertellend gepresenteerd. Adema betoogt dat de verteller echter vooral laat zíen wat er gebeurt in zijn verhaal. De verteller gebruikt daarbij de tegenwoordige tijd: zo zorgt hij ervoor dat het verhaal zich, als het ware, voor onze ogen afspeelt. Het verhaal van de Aeneis begint inderdaad met de informatie dat er een stad is geweest , maar als het verhaal eenmaal op gang is, verandert de manier van presenteren en ís die stad er en wordt hij voor onze ogen opgebouwd. |