KNAW

Onderzoek

Insulinesecretie en insulinegevoeligheid in relatie tot type 2 diabetes en...

Pagina-navigatie:


Wijzig gegevens


Titel Insulinesecretie en insulinegevoeligheid in relatie tot type 2 diabetes en hart- en vaatziekten
Looptijd 09 / 2002 - 11 / 2008
Status Afgesloten
Dissertatie Ja
Onderzoeknummer OND1293853
Leverancier gegevens Website EMGO

Samenvatting

Insulinegevoeligheid en insulinesecretie zijn beiden belangrijke factoren voor het ontstaan van type 2 diabetes en hart- en vaatziekten, maar niet de enige. In een vroeg stadium lijken vet en vetverdeling ook een belangrijke rol te spelen. De bevindingen in het onderzoek van Wiebe Boorsma ondersteunen de gangbare gedachte dat preventie van overgewicht belangrijk is om het ontstaan van type 2 diabetes en hart- en vaatziekten te voorkomen. Type 2 diabetes en hart en vaatziekten zijn beiden een belangrijk gezondheidsprobleem. Ze hebben ook een aantal gemeenschappelijke oorzaken. Uit eerder onderzoek is gebleken dat naast overgewicht, de gevoeligheid van het lichaam voor insuline (insulinegevoeligheid) en insulinesecretie (afscheiding van vocht door klieren in het lichaam) twee belangrijke factoren zijn voor het ontstaan van type 2 diabetes en hart- en vaatziekten. Boorsma stelt in zijn proefschrift de vraag welke factor in welk stadium van het ziekteproces nu het belangrijkst is en of er ook al verbanden in gezonde mensen te zien zijn. Na onderzoek in een groep personen met een gestoorde suikerstofwisseling (een hoog risico om type 2 diabetes te krijgen) concludeert Boorsma dat verminderde insulinesecretie een betere voorspeller is voor het krijgen van type 2 diabetes dan verminderde insulinegevoeligheid. In een studie met gezonde vrijwilligers uit heel Europa laat Boorsma vervolgens zien dat er wel een verband bestaat tussen lage insulinegevoeligheid en ongunstige waardes van allerlei risicofactoren voor hart- en vaatziekten zoals hoge bloeddruk, ECG afwijkingen, hoog cholesterol en hoge concentraties triglyceriden (bloedvetten), maar dit verband was niet zo sterk en werd voornamelijk verklaard door overgewicht in het algemeen en vetverdeling in het bijzonder. Bij het preciezer bestuderen van vetverdeling bij mannen en vrouwen concludeert hij verder dat bij beiden meer vet op de heupen gepaard gaat met een gunstiger risicoprofiel voor hart- en vaatziekten, terwijl voor vet op en in de buik precies het omgekeerde geldt. Dit kon wederom niet verklaard worden door verminderde insulinegevoeligheid.

Samenvatting (EN)

OBJECTIVES: Insulin resistance is believed to be the defect underlying the occurrence of hypertension, dyslipidaemia and diabetes. The evidence for this hypothesis is based on the association of fasting insulin, as a proxy for insulin resistance, with the risk of cardiovascular disease. Thus it is not known whether insulin resistance of hyperinsulinemia per se is driving the association. Because the gold standard for measuring insulin resistance, the euglycaemic hyperinsulinaemic clamp technique, is time-consuming and invasive, no previous prospective study has assessed the relationship between insulin resistance and cardiovascular disease. Therefore, the objectives are: 1) to establish whether insulin resistance predicts the future development of cardiovascular risk markers and cardiovascular disease, 2) to determine genetic and environmental contributions to insulin resistance, and 3) to develop a new method to identify insulin-resistant subjects in clinical practice. METHODS: A prospective, observational, multi-centre cohort study measuring insulin resistance and secretion in a cohort of 1,500 subjects, recruited in 20 European study centres. As the principal aim is to test the hypothesis that insulin resistance precedes the development of cardiovascular disease, the carotid intima-media thickness will be measured at baseline and after 3 years of follow up. The study will start January 2003 in Hoorn, and 75 subjects will be included.

Betrokken organisaties

Betrokken personen

Classificatie

A73000 Eerstelijnsgezondheidszorg en tweedelijnsgezondheidszorg
D21400 Genetica
D21700 Fysiologie
D23220 Inwendige geneeskunde
D24200 Preventieve gezondheidszorg, GVO

Omhoog
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie