| Beginnende dementieën zijn moeilijk te onderscheiden van de normale achteruitgang van het geheugen. In de 'preklinische fase' van de ziekten van Alzheimer en Huntington gaat er al iets mis in de hersenen, maar dit is aan de patiënt nog niet duidelijk te merken. Veel onderzoek is gericht op de vraag hoe de ziekten dan al herkend kunnen worden. Tot nu toe viel de opbrengst van het EEG ( hersenfilmpje ) tegen, maar dit was beperkt tot metingen met de ogen gesloten. Of het geheugen slecht werkt, merk je pas als je het belast. Met die gedachte onderzocht neuropsychologe Karin van der Hiele het EEG tijdens geheugentaken. Zowel bij de ziekte van Alzheimer als de ziekte van Huntington bleken er dan inderdaad meer afwijkingen te zijn. Hersenonderzoek bij dementieën kan meer opleveren als het zich specifiek op een zwakke plek richt. Er kwam een verrassend aspect aan het licht: het EEG bij dementie toont veel hinderlijke spieractiviteit, die men meestal wegfiltert. De onderzoekers besloten de spieractiviteit echter niet weg te gooien, maar te meten. Ze vonden dat de mate van spierspanning gerelateerd was aan cognitieve functies en de mate van depressiviteit. Het badwater bleek dus informatie over het kind te bevatten. |