KNAW

Onderzoek

Lexicon Latinitatis Nederlandicae Medii Aevi

Pagina-navigatie:


Wijzig gegevens


Titel Lexicon Latinitatis Nederlandicae Medii Aevi
Looptijd 01 / 2003 - 01 / 2005
Status Afgesloten
Onderzoeknummer OND1295347
Leverancier gegevens Website CHI

Samenvatting

Het Woordenboek vormt een onmisbaar instrument voor iedereen die zich met de Nederlandse Middeleeuwen bezighoudt. Immers, het vergroot de toegankelijkheid van de Middeleeuws Latijnse teksten die door Nederlanders, over Nederland(ers) of in Nederland geschreven zijn. Met het afnemen van de algemene schoolkennis van het Latijn neemt de betekenis van het Woordenboek toe. Tot ongeveer 1900 was het oude Glossarium Mediae et Infimae Latinitatis van DuCange (voor het eerst verschenen in 1688, later steeds herzien en uitgebreid) voor degenen die zich met het Middeleeuws Latijn bezig hielden, steeds voldoende geweest. Maar in de jaren twintig bleek dat dit niet meer het geval was. Er moest een geheel nieuw woordenboek komen. Vanwege de omvang van deze taak besloot de Union Académique Internationale (UAI) dat ieder land zijn eigen woordenboek zou maken, dat wil zeggen ieder land zou een woordenboek maken van het Latijn zoals dat in de Middeleeuwen binnen de huidige grenzen werd gebruikt. Deze woordenboeken zouden dan, naast elkaar geplaatst, een compleet beeld geven van het Latijn uit de Middeleeuwen in heel Europa. In de praktijk bleek dat niet zo eenvoudig. Immers, ieder land stelde zijn eigen grenzen vast van de te behandelen periode (een land met zeer veel bronnen verkoos bijvoorbeeld om eerst tot het jaar 1200 te gaan, een ander land met weinig vroege bronnen nam de 'hele' Middeleeuwen, tot ca. 1500), er was weinig of geen eenheid van methode, en men kwam ook niet tot vaste afspraken dienaangaande. Ook ging lang niet ieder land direct aan de slag. Wat Nederland betreft: er werd een commissie ingesteld, de DuCange-commissie, die de voorbereidingen ter hand nam. Er werden deskundigen aangezocht om bronnen te excerperen, maar het werk vorderde maar langzaam. Prof. dr. Fred. Muller werd secretaris in 1938 of '39 en klaagde over deze traagheid. In de oorlog stagneerden de zaken nog verder, en het duurde tot in de jaren vijftig voor er weer een beetje schot in kwam. Een eerste bronnenlijst werd gepubliceerd in ALMA (Archivum Latinitatis Medii Aevi) XXIV (1954) p. 159-206. Deze bleek al spoedig onvoldoende, en moest worden herzien en uitgebreid. Intussen was Prof. dr. J.H. Waszink secretaris geworden van de DuCange-commissie, en hij zorgde ervoor dat het excerperen voortgang vond. Er waren toen ca. 20 medewerkers. De bronnenlijst werd voltooid door Dr. J.W. Fuchs en gepubliceerd in Studi Medievali. Dr. Fuchs was de eerste redacteur van het Woordenboek. Onder zijn leiding werden de bronnen geëxcerpeerd door een aantal ervaren classici. Alleen gedrukte teksten werden gebruikt, maar daaronder vielen ook incunabelen en post-incunabelen als er van een bepaalde tekst geen moderne editie verkrijgbaar was, hetgeen vooral voor filosofische teksten het geval is. Deze teksten zijn voor de huidige lezer vaak slecht leesbaar door de vele afkortingen, en ook door de slechte kwaliteit van de toen gebruikte foto's/afdrukken, en er werden dan ook tussenpersonen ingeschakeld om deze slecht leesbare teksten uit te typen. Omstreeks 1970 was het excerperen klaar. Nieuwe edities werden (en worden) door de redactie tussendoor geëxcerpeerd en aan het bestand van fiches toegevoegd. Dit bestand is aanzienlijk: ca. 300.000 fiches, alfabetisch geordend in ladenkasten. Aan het eind van de jaren zestig was Dr. Fuchs begonnen met het opzetten van een systeem voor het schrijven van de lemmata. Hij gebruikte de letter G om het systeem uit te proberen, en begon vervolgens bij de letter A; Mw. Weijers begon bij de letter M. Een erfenis van dit systeem is het ongebruikelijke alfabet dat in het Woordenboek wordt gehanteerd: Dr. Fuchs wilde de middeleeuwse spelling recht doen en zo is er in het Woordenboek geen H, omdat deze letter in de Middeleeuwen tot grote verwarring aanleiding had gegeven, en de klassieke spelling AE staat onder de letter E, PH onder de F, enz. In de loop van de jaren is er herhaaldelijk nagedacht over dit probleem, maar de redactie is steeds tot de conclusie gekomen dat het na de publicatie van de letter A niet meer mogelijk was het systeem te wijzigen. De publicatie kwam vanaf 1970 op gang. Aflevering 1 bevatte de nogmaals herziene bronnenlijst, en vanaf dit jaar zijn er met grote regelmaat afleveringen verschenen. Werkzaamheden De publicatie van het Woordenboek is gevorderd tot het eind van de letter S, fascikel 59. De fascikels worden gebonden tot delen: I (A-B), II (C), III (D-E), IV (F-G-I), V (L-M-N-O), VI (P), VII (Q-Stuverus). Naar verwachting zal het complete Woordenboek acht delen, ca. 65 fascikels omvatten. De letters T, U, V en X liggen geschreven in de kast, waarmee het corpus in eerste redactie gereed is. NB. De letter W valt onder de V, de Y vindt men onder de I, de Z onder de S, dit vanwege het speciale alfabet. Er resten nog het supplement en de corrigenda. Voor het persklaar maken van geschreven kopij en het verzorgen van drukproeven en dergelijke zijn nog enkele jaren nodig. Na het gereedkomen van de geschreven kopij is het tempo van publicatie versneld. Er wordt nog een supplement geschreven, om de nieuw geëxcerpeerde bronnen en andere aanvullingen in te verwerken. Zo is daar bijvoorbeeld het 'computerbestand'. Ongeveer twintig jaar geleden, toen het werken met een computer goed op gang kwam, is ook bij het Woordenboek een groot bestand (3000 pagina's Latijnse tekst, verdeeld over verschillende soorten bronnen: oorkonden, filosofie, theologie, enz.) ingelezen, en als alfabetische concordantie beschikbaar gekomen (een alfabetische lijst van alle ingelezen woorden, omgeven door ca. 10 woorden ervoor en erachter). Hierdoor is het materiaal aanzienlijk uitgebreid en verbeterd, maar hierdoor blijkt er ook een groot aantal woorden te zijn waarvan het nuttig is ze in een supplement onder te brengen. Bij het schrijven van het supplement zijn de redacteurs zeer terughoudend: het heeft geen zin het aantal citaten enkel uit te breiden met (bijvoorbeeld) plaatsen uit opnieuw uitgegeven oorkonden of andere bronnen. Er worden alleen nieuwe woorden, betekenissen of nuances opgenomen. Een uitzondering wordt gemaakt voor citaten met woorden die tot nu toe uitsluitend voorkwamen in de glossaria: de Conflatus vocabulorum, de Teuthonista etc. Wij mogen haast aannemen, vooral als het gaat om minder gebruikelijke woorden, dat de auteur een exemplaar van deze oude glossaria op zijn werktafel had liggen en gebruikte bij het zoeken naar een goede vertaling. Eén van de aardigste voorbeelden hiervan is Jacob Tymman van Amersfoort, die een commentaar heeft geschreven bij werken van Aristoteles: de meteorologie en de generatione. Hij beschikte vrijwel zeker over een exemplaar van de Teuthonista, aangezien er bij hem vele voorbeelden zijn van 'echte citaten' als aanvulling op de glossaria. Overigens zien wij in dit verschijnsel een rechtvaardiging voor het feit dat de glossaria als bron opgenomen zijn in het Lexicon. Daarop is in het verleden nogal veel kritiek geweest: is een woordenboek wel als bron voor een woordenboek toelaatbaar? Ook het tractaat van Hendrik Arnoldus van Zwolle over het bouwen van muziekinstrumenten als het clavichord en het orgel (15e eeuw) levert vaak geheel nieuwe lemmata op, of op zijn minst opvallend gebruik van bestaande woorden. Zo komt in zijn werk het woord fimbria voor, wat een klassiek woord is voor franje, maar het moet bij hem betekenen schema. Wij beschikken over de tekst van zijn werk, niet over de plaatjes, maar in The New Grove Dictionary of Music and Musicians staan geregeld afbeeldingen uit het handschrift van dit werk afgebeeld, en zie: er is een tekening van de schematische weergave van de opzet van een clavichord afgebeeld, waaruit volstrekt duidelijk is waarom Hendrik Arnoldus van Zwolle juist dit woord heeft gebruikt in de nergens anders geregistreerde betekenis. Werkwijze Bij het samenstellen van de artikelen (lemmata) wordt altijd uitgegaan van de fiches. De redacteur brengt een ordening aan en controleert de citaten, een zeer noodzakelijke arbeid, aangezien het excerperen nu eenmaal mensenwerk is, en vele fiches vol onnauwkeurigheden zitten. Hiertoe beschikt de redactie over vrijwel het gehele bronnenbestand, hetzij in boeken uit eigen bezit of van de Koninklijke Bibliotheek, hetzij in de vorm van fotokopieën van bronnenpublicaties. De computerlijst wordt op aanvullingen gecontroleerd. Bij vele woorden raadpleegt men vakliteratuur. Overigens werkt de redactie sinds lange tijd met vaste adviseurs, die vóór de publicatie de lemmata van hun eigen vakgebied doorlezen en van commentaar voorzien. De kwaliteit van het Woordenboek is hierdoor zeer verbeterd. De artikelen worden geschreven en tot het tijdstip van publicatie weggelegd. Op dat moment komt het persklaar maken, hetgeen betekent dat alles nogmaals wordt nagezien, van aanvullingen wordt voorzien en door de adviseurs wordt doorgenomen. Daarna komen de drukproeven, ondanks het feit dat de kopij digitaal wordt aangeleverd toch nog meerdere malen nodig, en ten slotte de publicatie.

Betrokken organisaties

Penvoerder Huygens ING (KNAW)

Betrokken personen

Projectleider Dr. M. Gumbert-Hepp
Projectleider Dr. O. Weijers

Classificatie

A85100 Kunst en cultuur
D34200 Middeleeuwen
D34300 Nieuwe geschiedenis
D36100 Klassieke taal- en letterkunde

Omhoog
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie