| De middeleeuwse ikonografie van de "Derde Bekoring van Christus" (Mt.4,1-11) wordt gekenmerkt door een buitengewoon brede waaier aan denkbare voorstellingen voor wat betreft de aan Christus door de duivel voorgestelde "regna mundi" (Mt. 4,8). Zelden zijn in de middeleeuwse kunst zo veel variaties binnen een ikonografisch onderwerp aan te treffen. Worden in de vroege middeleeuwen de bekoorlijkheden die Christus zouden kunnen (moeten) verleiden als tekens van rijkdom en macht (het gaat om "vanitas-stillevens" avant la lettre) uitgebeeld, vanaf de late 12de eeuw zijn er ook representaties van steden aan te treffen, helemaal conform de plaats die de zich emanciperende burgerij vanaf de 11de eeuw in West-Europa wist te veroveren. Vanaf de vroege 15de eeuw zijn het dan hele landschappen ("Weltlandschaften") die het bedrieglijke jagen op winst tot uitdrukking moeten brengen. Reeds de vroege kerkvaders hebben zich met de interpretatie van de drie bekoringen bezig gehouden, met uiteenlopende konstateringen. Dit geldt ook voor de exegeten uit de 11de tot 14de eeuw. Dikwijls vonden hun theologische uitleggingen een neerslag in de kunst. We kunnen echter aantonen dat de middeleeuwse kunstenaars vaak eigen vindingrijke wegen hebben bewandeld. De bedoeling van het beoogde boek is diverse voorbeelden in kaart te brengen en nader te belichten tegen de exegetische achtergronden. |