| Dit promotieonderzoek zal uitmonden in een kritische editie van de originele Neo-Latijnse poëzie van de Nederlandse humanistische geleerde en staatsman Hugo de Groot (1583-1645) uit de periode 1609 tot aan zijn dood, het corpus van de Posteriora. Dit corpus bevat voor het grootste deel gelegenheidspoëzie en is vastgesteld op 114 gedichten die tezamen 2545 versregels omvatten. De Latijnse tekst zal worden voorzien van een uitgebreid ontsluitingsapparaat, bestaande uit een vertaling van de gedichten alsmede historische en letterkundige becommentariëring. In de inleiding van de editie zal, naast een wetenschappelijke verantwoording van de tekstuitgave, aandacht besteed worden aan de biografische context van de gedichten (Grotius' gevangenschap en ballingschap) en aan de literaire traditie van de gelegenheidspoëzie (klassieke en humanistische voorbeelden) en de maatschappelijke functie ervan in de 17e eeuw. |