| - Achtergrond/beleidsrelevantie: Barrett-oesofagus (BO) is een premaligne aandoening van de oesofagus. Maligne ontaarding in BO verloopt via laaggradige dysplasie (LGD), hooggradige dysplasie (HGD) tot carcinoom. De huidige richtlijn adviseert om bij patiënten met BO zonder dysplasie 1 x per 2 jaar een endoscopie te verrichten en bij BO met LGD 1 x per jaar. Bij HGD wordt een oesofagusresectie geadviseerd. In de groep BO-patiënten zonder dysplasie of met LGD wordt het merendeel (>95%) van de voor de patiënt belastende endoscopieën verricht, terwijl slechts een klein deel ooit een carcinoom ontwikkelt (0,5% per follow-up jaar). Studies hebben aangetoond dat bepaling van de DNA-ploïdiestatus in biopten uit Barrett-epitheel door middel van flow cytometrie (FC) een veelbelovende prognostische marker is. Een recente Amerikaanse studie adviseert meer of minder frequente endoscopische follow-up (EFU) bij respectievelijk een afwijkende en een normale FC-uitslag. - Doel: Individualisering van de frequentie van EFU op basis van de FC-uitslag, waardoor tijdig progressie van dysplasie wordt vastgesteld, de kwaliteit van leven van patiënten wordt verbeterd, en de kosten worden verlaagd. - Onderzoeksvragen: Wat is de prognostische waarde van FC? Wat is de (kosten)-effectiviteit van een meer of minder intensieve EFU op basis van respectievelijk een afwijkende of een normale FC-uitslag? Welke richtlijn kan voor een op FC gebaseerd EFU-beleid ontwikkeld worden, rekening houdend met de leeftijd en co-morbiditeit? - Studie-opzet: Cohort-studie naar een op de FC-uitslag gebaseerd EFU-beleid bij patiënten met BO. - Studiepopulatie/databronnen: Patiënten met BO zonder dysplasie en patiënten met BO + LGD. - Interventie: Patiënten met een afwijkende FC-uitslag ondergaan meer intensieve EFU dan de huidige richtlijn, nl. elk jaar bij patiënten zonder dysplasie en elk half jaar bij patiënten met LGD. Patiënten met een normale FC-uitslag ondergaan EFU volgens de huidige richtlijn, nl. elke 2 jaar bij patiënten zonder dysplasie en elk jaar bij patiënten met LGD; echter dit zou in de toekomst minder intensief kunnen zijn, bijv. elke 5 jaar. - Uitkomstmaten: * Primair: Histologisch aangetoonde progressie van dysplasie, d.w.z. van geen dysplasie naar LGD, HGD, of carcinoom of van LGD naar HGD of carcinoom. * Secundair: kwaliteit van leven en kosten. - Power/data-analyse: Een afwijkende FC-uitslag wordt verwacht bij 10% van de patiënten zonder dysplasie en bij 25% van de patiënten met LGD. Patiënten zonder dysplasie met een afwijkende FC-uitslag hebben een geschat risico op progressie van 12%, in tegenstelling tot 3% bij een normale FC-uitslag. Bij LGD zijn deze geschatte risico's respectievelijk 20% en 5%. Om de prognostische waarde van FC vast te stellen wordt logistische regressie gebruikt, waarbij voldoende power wordt bereikt (p<0,05) met 400 patiënten zonder dysplasie (82% power voor 12% vs. 3% progressie), en 150 patiënten met LGD (70% power voor 20% vs. 5% progressie). Deze aantallen patiënten zijn ook voldoende om de diagnostische effecten van FC en het natuurlijk beloop van BO te bestuderen. - Economische evaluatie: Onderscheiden worden directe medische kosten en andere kosten. Effectiviteit wordt gemeten aan: 1) klinische uitkomst, met name progressie en 2) kwaliteit van leven (gezondheidstoestand, angst, pijn en ongemak; te bepalen via vragenlijsten). Voor het bepalen van een doelmatig EFU-beleid zal een besliskundig model gebruikt worden. Hierin kunnen de kosten en lange-termijn effecten geschat worden indien meer of minder intensieve EFU, zoals elke 5 jaar, geïmplementeerd kan worden na een positieve respectievelijk een negatieve FC bepaling, in plaats van de huidige standaard EFU (elke 2 jaar zonder dysplasie, of elk jaar met LGD). - Tijdschema: Inclusie van patiënten zal plaatsvinden in jaar 1, zodat van alle patiënten tenminste 2 jaar EFU beschikbaar zal zijn. Aangezien deze groep patiënten ook na de studieperiode routinematig EFU zal ondergaan, is het mogelijk om tevens het beloop van BO op lange termijn empirisch te onderzoeken. |