| Tegen het eind van de negentiende eeuw manifesteerde zich in West-Europa en in de Verenigde Staten een breed om zich heen grijpend verlangen naar een mooiere en gelukkigere wereld. Dit eindnegentiende-eeuwse utopisme kreeg gestalte in allerlei soms zeer diverse bewegingen: socialisme, communisme, de Rein-Leven-beweging en vaag utopistische stromingen zoals het christen-anarchisme. Nogal eens maakte men ook een eigenzinnige mix van dat alles. Zo ontstond er aan het eind van de negentiende eeuw weer aansluiting bij het utopistische denken van laat achttiende- en vroeg negentiende-eeuwers als Saint-Simon, Fourier en Owen. Er werden sterk coöperatief georganiseerde leefgemeenschappen gesticht waarin getracht werd alvast een voorschot op het toekomstige utopia te nemen, zoals de Neue Gemeinschaft in Duitsland, Monte Verità in Italië, Walden en de Internationale Broederschap in Nederland. In deze gemeenschappen of kolonies speelden beeldend kunstenaars en schrijvers een prominente rol; zij behoorden ook vaak tot de initiatiefnemers en karakteristiek voor deze leefgemeenschappen is dan ook een grote drang naar eenheid tussen leven en kunst. In dit opzicht laat het fin de siècle een doorgaande lijn zien naar de avantgarde van de jaren tien en twintig in de twintigste eeuw. In Duitsland bijvoorbeeld werden expressionistische dichters als Else Lasker-Schüler en dadaïsten als Hugo Ball en Ivan Goll aangetrokken door de Neue Gemeinschaft en in Nederland zette De Stijl de artistiek-utopistische doelstelling van de jaren negentig uit de vorige eeuw op eigen wijze door. Op literair terrein kon het utopisme aansluiten bij de lange literaire traditie van de utopistische literatuur (meer in het bijzonder het genre van de utopia) die men in de literatuurgeschiedschrijving over het algemeen laat beginnen met Thomas More s Utopia uit 1516. Doel van het onderzoek is de beschrijving van het utopistische denken in de Nederlandse literatuur van 1890 tot 1930 in internationale context. Nagegaan zal worden op welke wijze het utopistische denken gestalte krijgt in de Nederlandse literatuur (verhalend proza en poëzie) van 1890 tot 1930; welk buitenliterair gedachtengoed (politiek, wetenschappelijk, occult) wordt verwerkt; welke al dan niet verborgen ideologieën (in de zin van visies) in dit verband tot uitdrukking worden gebracht; en in welke bredere nationale en internationale cultuurhistorische context de literaire representatie van het utopisme geplaatst kan worden. Dit alles tegen de achtergrond van de vraag in hoeverre de Eerste Wereldoorlog een rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van het utopistisch denken in deze periode. Het onderzoek is nadrukkelijk opgezet als een samenwerkingsproject van literatuur-historici, historici en kunsthistorici. Dit project sluit aan bij het internationale programma Change of paradigm? Revisiting arts and literature around 1900 dat samen met de Carl von Ossietzky Universität Oldenburg is opgezet. (Contactpersoon voor Groningen: prof. dr. G.J. Dorleijn). |