| In Nederland is de de verhouding tussen artistieke kwaliteit van gesubsidieerde kunst en de functies van kunstuitingen een expliciet discussiepunt geworden, sinds minister d'Ancona (WVC) in de Cultuurnota 1993-1996, Investeren in Cultuur aan de orde stelde dat verschillende soorten kunst verschillende functies kunnen hebben voor verschillende groepen mensen en aan de toenmalige Raad voor de kunst opdracht gaf dit thema verder uit te werken. Artistieke kwaliteit werd tot dan toe vrijwel exclusief geassocieerd met een absolute autonomie van de kunstenaar, overigens grotendeels mogelijk gemaakt door het subsidiebeleid van na de Tweede Wereldoorlog. Langzamerhand lijkt echter de opvatting terrein te winnen dat het denken over functies van kunst en artistieke autonomie van kunstenaars elkaar niet uitsluiten. Zowel de artistieke autonomie als het functioneren van kunstuitingen en de relatie tussen beide elementen is binnen een gegeven cultuur geconditioneerd. In alle Europese landen zijn de condities vooor artistieke produktie, maatschappelijke toebedeling daarvan en tenslotte de participatie en mogelijke kunstzinnige ervaring verschillend. Maar op een iets hoger aggregatieniveau kunnen wel Europese cultuurgebieden onderscheiden worden waarbinnen de landen grotere overeenkomsten vertonen in de organisatie van hun theaterwereld. Van Noord naar Zuid: Scandinaviƫ, De Lage Landen, Groot Brittanniƫ en Ierland, Het Duitse taalgebied, Frankrijk, Centraal en Oost-Europa, de Mediterrane landen. Dit onderzoeksprogramma beoogt de invloed van conditionerende factoren op de produktie en receptie van theaterkunst bloot te leggen, door enerzijds parameters ten behoeve van beschrijving en meting te ontwikkelen, anderzijds condities en uitkomsten in verschillende Europese cultuurgebieden te vergelijken. Het onderzoek spitst zich toe op de vier volgende factoren: 1) het niveau van scholing en professionalisering van kunstenaars; 2) de maatschappelijke waarde die aan het theater wordt toegekend in termen van overheidsondersteuning; 3) de organisatie van de relatie tussen vraag en aanbod van thea-tervoorstellingen, en 4) het (kunst)educatieniveau van de bevolking. |