| Tot voor kort werd de stedelijke eigenliefde door kunsthistorici en historici steeds met een zekere meewarigheid bekeken. Zij werd vooral met geslotenheid, provincialisme en stagnatie gassocieerd. Maar zowel in de bestudering van de Nederlandse zeventiende-eeuwse als in die van de Italiaanse zestiende-eeuwse kunst wordt dit fenomeen steeds meer als scheppende factor bezien. Wat Nederland betreft kan hier vooral worden gewezen op de belangrijke culturele dimensie die de stedelijke eigenroem had in steden als Haarlem en Amsterdam. In Italië is recentelijk onderzoek gedaan naar de artistieke beleving en uitdrukking van de eigen identiteit in steden als Bologna en Siena. Extra reden om zowel op Nederland als op Italië de aandacht te richten is het feit dat het Nederlandse campanilisme het Italiaanse als voorbeeld nam (de Vlaamse steden komen minder in aanmerking omdat daar, onder invloed van het centralisme van de graaf, het bewustzijn van eigenheid minder ontwikkeld schijnt te zijn geweest). Wezenlijk in het hier voorgestelde onderzoek is de interactie tussen kunstgeschiedenis, letterkunde en geschiedenis en stadsorganisatie. Specifiek is hier de rol van antiquariërs en patriciërs. Antiquariers waren geen wereldvreemde hobbyisten, wat nu de associatie is met het woord, maar zij speelden een uiterst belangrijke rol als middelaars tussen kunstenaars en opdrachtgevers, als iconografisch adviseurs, als opstellers van programma's, als bron van kennis op het gebied van conventies en decorum. Er gebeurt veel op het gebied van de studie van individuele antiquariërs, maar aan een algehele evaluatie van hun rol ontbreekt het. Ten aanzien van de rol van de patriciërs kan hetzelfde worden opgemerkt. Vanwege de opkomst, in de zestiende eeuw, van de territoriale staten en de vorstenhoven en de teloorgang van de stadstaten, heeft de aandacht van kunsthistorici en historici zich steeds geconcentreerd op vorsten en hun hoven. Eindeloos is de rij van publicaties over de Medici, de Gonzaga's, de Este's, de Farnese's. Maar in diezelfde periode bleven in de steden de patriciërs en de voorname burgerij een voorname culturele spelen. Over deze rol is echter nog maar weinig bekend. |