| Vrijheid van meningsuiting is een van de belangrijkste waarden van westerse democratieën. We grijpen voor de wortels van dit recht, en de daaraan verbonden idealen, graag terug naar de klassieke Oudheid als bakermat van de westerse beschaving. Tot nu toe werd aangenomen dat de praktijk en de ideologie van het vrijuit spreken verdween na de val van het Romeinse rijk. Binnen het onderdrukkende politieke klimaat van de 'donkere Middeleeuwen' zou geen plaats zijn geweest voor het uiten van kritiek. Uit het promotieonderzoek van Irene van Renswoude blijkt dat deze veronderstelling onjuist is. Van Renswoude heeft brieven en redevoeringen van laatantieke en vroegmiddeleeuwse dissidenten bestudeerd. Ze stelt vast dat de idealen van de vrije meningsuiting onverminderd voortleefden in de politieke cultuur van de vroege Middeleeuwen, niet zozeer als 'recht' maar vooral als moreel ideaal en als retorische performance. De periode tussen ca. 300 en ca. 1000 kan gezien worden als een bepalende fase in de geschiedenis van de idee van de vrije meningsuiting. De ideologie van het vrijuit spreken raakte nauw verbonden met idealen van martelaarschap en met een politieke retoriek van eenvoud en oprechtheid ('ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg') een retoriek waar politici ook nu nog graag gebruik van maken. |