KNAW

Research

WOT-02-438-I Chemical contaminants

Pagina-navigatie:


Update content


Title WOT-02-438-I Chemical contaminants
Period 01 / 2004 - 01 / 2009
Status Completed
Research number OND1302697

Abstract



Publications of this programme are available Here

Abstract (NL)

Doel:
Het thema Contaminanten richt zich op de risico s en analyse van contaminanten in de voedselketen. Daarbij gaat het zowel om milieucontaminanten als dioxines, PCB s, zware metalen en radioactieve stoffen, om agrarische hulpstoffen als pesticiden, maar ook om toxines geproduceerd door schimmels (mycotoxines) en pyrolizidine-alkaloïden in bepaalde onkruiden zoals het Jakobskruiskruid. Een zwaar accent ligt daarbij op de ontwikkeling en toepassing van analytische methodes om genoemde stoffen aan te tonen. Zo zijn er projecten voor diverse milieucontaminanten in vis en visproducten, pesticiden in plantaardige gewassen en radionuclides in voedingsmiddelen. Onderzoek naar contaminanten in diervoeders vindt plaats in het thema Diervoeders waarmee in dit verband nauwe banden zijn

Harmonisatie en NRL-taken:
Vanuit dit thema worden ook de NRL-taken verricht voor een groot aantal contaminanten. Dit behelst de participatie aan workshops van de CRL s, het organiseren van en participeren in ringstudies, het adviseren en ondersteunen van andere laboratoria en het meepraten over harmonisatie van methodes. Deze taken berusten op de expertise van het RIKILT op deze terreinen, die op basis van andere projecten onderhouden moet worden. Zo is aanwezigheid van accreditatie voor de vereiste methode een absolute voorwaarde om NRL te kunnen zijn.

Nieuwe risico s:
Daarnaast wordt er gewerkt aan nieuwe methodes om bestaande en mogelijk nieuwe risico s te kunnen aantonen. Zo worden snelle bioassays getest en toegepast (bijv. DR CALUX®-bioassay), naast nieuwe technieken om onbekende bioactieve stoffen op snellere wijze te kunnen identificeren (o.a. TOF-massaspectrometers). Bij de bioassays is duidelijk dat met name de clean-up van monsters een kwetsbare stap is en verdere standaardisering en verbetering behoeft. Daarnaast moet meer onderzoek worden verricht naar stoffen die een zogenaamd vals-positief resultaat kunnen veroorzaken, maar die in feite een mogelijk nog onbekend risico voor de gezondheid van mens en dier kunnen vormen (emerging risk). Dit geldt bijvoorbeeld voor dioxineachtige PCB s die in november 2006 zijn opgenomen in de normstelling. Echter bij gedroogde grassen en lucerne, maar ook in bermgrassen, wordt vrij regelmatig een verhoogd CALUX-signaal gemeten zonder dat de daarvoor verantwoordelijke stoffen bekend zijn. Verder onderzoek hiernaar, enerzijds door te onderzoeken welke stoffen door de clean-up komen en een positief resultaat geven, en anderzijds door toepassing van fractionering en nieuwe MS-technieken, moet inzicht verschaffen in de verantwoordelijke stoffen (zie verder). Daarbij zal onder meer gebruik worden gemaakt van chemometrische technieken om correlaties tussen stoffen en signalen in de bioassay te onderzoeken en zodoende de verantwoordelijke stoffen te identificeren.

Milieucontaminanten:
Binnen het thema wordt ook een systeem onderhouden om tijdens incidenten snel de analysecapaciteit te kunnen uitbreiden. Een typisch voorbeeld is het NPK/LMRV dat gericht is op radionuclides, maar ook voor dioxines en PCB s wordt voldoende expertise en capaciteit beschikbaar gehouden. Om de inzetbaarheid tijdens incidenten te kunnen waarborgen is het zaak om voldoende praktijkmonsters te analyseren, waardoor tevens een zeer waardevolle set van data wordt gegenereerd over de huidige achtergrondbelasting. Dergelijke gegevens zijn onder meer van belang voor de certificering en bij de vaststelling van op ALARA gebaseerde normen. Zo worden data omtrent gehaltes van dioxines en PCB s doorgestuurd naar Brussel. Nieuw in dit project zijn de vlamvertragers die sinds 2007 worden meegenomen. Daarbij gaat het om zowel de PBDE s als HBCD. In eerste instantie behelst dit de validatie van de analytische methode en daarna de meting van de monsters die ook op dioxines en PCBs worden onderzocht.
Ook kunnen in dit soort monitoringsprojecten nieuwe bronnen worden geïdentificeerd. Zo is vanuit het monitoringsproject primaire agrarische producten het probleem van de dioxines in biologisch geproduceerde eieren naar voren gekomen en is vanuit het onderzoek in gedroogd gras en lucerne (thema diervoeders) ontdekt dat deze veevoedermiddelen regelmatig besmet zijn met PAK s en mogelijk nog onbekende dioxineachtige stoffen.
Binnen het vismonitoringsproject wordt onderzoek verricht aan een aantal bekende milieucontaminanten als dioxines, OCP s, PCB s en kwik in o.a. sportvis. Daarnaast worden op basis van een door IMARES en RIKILT opgesteld rapport gerichte surveys uitgevoerd op andere contaminanten als vlamvertragers, perfluoralkaanverbindingen en chloorparafines.

Advisering:
Vanuit dit thema wordt de participatie van het RIKILT aan de Beleidsondersteunende teams ten aanzien van radioactiviteit (EPA-n, BORI) en milieu-incidenten (BOT-mi) geregeld, die bij incidenten de landelijke en lokale overheden adviseren. In bepaalde gevallen worden echter ook aanvullende metingen verricht. Sinds 2007 betreft dat ook het LLN-TA, een netwerk van laboratoria dat bij terreuraanslagen of onbekende objecten analyses kan verrichten naar mogelijk toxische verbindingen die zijn gebruikt. In de toekomst zal deze activiteit naar verwachting verder uitbreiden.

Overdrachtstudies van contaminanten in landbouwhuisdieren:
Binnen het thema bestaat een apart project voor overdracht van contaminanten bij landbouwhuisdieren. Daarbij wordt veel aandacht besteed aan het modelleren van de data hetgeen in nauwe samenwerking met het RIVM gebeurt. Naast de meer lipofiele POP s wordt momenteel ook gewerkt aan zware metalen als cadmium en arseen. Vanaf 2007 beschikt het RIKILT over ICP/MS apparatuur gekoppeld aan LC, zodat ook de verschijningsvorm van het metaal bepaald kan worden (speciatie). Deze apparatuur zal ook ingezet worden bij analyses op arseen binnen het viscontaminantenproject. Veelal worden definitieve keuzes voor overdrachtstudies gemaakt op basis van actuele problemen, zoals de nicotine bij kippen, de dioxines in eieren van vrije-uitloopkippen en de pyrolizidine-alkaloïden bij runderen.

Toxicologische studies:
Momenteel lopen er binnen het thema helaas geen projecten die gericht zijn op de toxische eigenschappen van genoemde stoffen. Wel loopt er een KB-project waarin onderzoek wordt uitgevoerd naar de effecten van natuurlijke Ah-receptor agonisten bij ratten en mensen, en de mogelijke overeenkomsten met de toxiciteit van dioxines. Naar verwachting levert dit onderzoek additionele inzichten op over de risico s van dioxines en dioxineachtige PCB s. Samen met RIVM, TNO en de Universiteiten van Leiden, Rotterdam, Wageningen en Maastricht participeert het RIKILT in het NTC dat zich inzet voor de verdere ontwikkeling en toepassing van toxicogenomics binnen Nederland. Belangrijk aandachtsgebieden zijn daarbij de effecten van een gecombineerde blootstelling aan meerdere contaminanten mengseltoxicologie), en een verbetering van de extrapolatiemodellen, zowel van hoge naar lage blootstelling, als ook van dier naar mens. Het verder vervangen, verbeteren en verfijnen van proefdiermodellen is daarbij ook een belangrijk item.

Aandachtspunten:

· Voor 2008 staan een aantal validaties op het programma die een iets hoger budget vereisen. Deels betreft dit validatie van methodes voor bestrijdingsmiddelen. Voorstel is om eerst na te gaan of er ruimte over blijft in het AID project bestrijdingsmiddelen, met name door het achterblijven van het monsteraanbod. Mocht dit niet lukken, dan volgt in de tweede helft van 2008 een ander voorstel.
· Het BOT-mi is volop in ontwikkeling en vergt steeds meer tijd van de deelnemers. RIKILT wil een volwaardige partner blijven en daarom de inzet verdubbelen. Door de Commissie van Toezicht is daarom 13 k extra toegekend voor 2008 uit de nog niet gealloceerde middelen 2008 ten behoeve van dit knelpunt.
· Er zijn een aantal ontwikkelingen met betrekking tot nieuwe contaminanten zoals de perfluorverbindingen en de broomdioxines. De laatste groep stoffen kan onder meer gevormd worden bij branden en lijken toxicologisch sterk op de gechloreerde dioxines. RIKILT wil deze ontwikkelingen volgen door methodes op te zetten en te valideren in nauwe samenwerking met een aantal buitenlandse partners (CVUA, Freiburg en CSL, York). Voorstel is om dit vanuit de Vrije Ruimte van thema 1 te doen.
· Ook de activiteiten van het LLN-TA nemen toe en willen we ondersteunen met ontwikkeling van methoden. Ook hiervoor volgt een voorstel voor de Vrije Ruimte.

Resultaten:
In het kader van de reguliere monitoring werden grote series monsters onderzocht op bestrijdingsmiddelen, radionuclides en dioxines, waarbij alleen kleinere overschrijdingen werden gemeten. Zo werd bij schapen regelmatig een verhoogd dioxinegehalte gemeten dat een aantal keren ook de limiet overschreed. Ook bij herten waren de gehaltes vaak vrij hoog, maar hiervoor is geen limiet. Daarnaast werd er schieraal bemonsterd in het Volkerak om na te gaan of deze migrerende aal schoner is dan standaal. Gehaltes aan dioxines en dioxine-achtige PCB s waren echter vergelijkbaar met die in aal uit de grote rivieren. Bij de analyse op bestrijdingsmiddelen werd de nieuwe multimethode op basis van GC-TOF-MS ruim ingezet. Deze methode is verder uitgebreid naar andere stofgroepen. Het aantal monsters voor bestrijdingsmiddelen bleef fors achter bij de geplande aantallen. De bepaling van gebromeerde vlamvertragers (PBDE s) stuitte op problemen met de achtergrond, maar deze zijn inmiddels opgelost. Daardoor zullen deze stoffen in 2008 wel geanalyseerd worden binnen het monitoringproject dioxines. Binnen het validatieproject werd een aantal methodes gevalideerd, o.a. voor pyrrolizidine alkaloïden in diervoer, de multimethode voor bestrijdingsmiddelen, en een aantal zware metalen in vlees en vis.

Het bureau Risicobeoordeling van de VWA is het hele jaar ondersteund met adviezen van het Front-Office Voedselveiligheid van het RIVM-RIKILT. Naast dioxines in paling betrof dat ook een groot aantal andere onderwerpen zoals acrylamide, GGO s en pyrrolizidine alkaloïden. Ook is in 2007 een grote bijdrage geleverd aan de EFSA opinie betreffende de beoordelingswijze van de risico s van bestrijdingsmiddelen. In 2007 heeft RIKILT binnen CODEX het Nederlands voorzitterschap van de CCCF ondersteund, o.a. tijdens de vergadering in Beijing. Binnen het innameproject is begonnen met het berekenen van de inname van een aantal stoffen door kinderen op basis van nieuwe gegevens omtrent de consumptie door kinderen. In dit project is een nieuwe versie van MCRA ontwikkeld en is een groot aantal voedingsmiddelen vertaald naar hun ingrediënten. In het KAP-project is ook in 2007 een groot aantal data ingevoerd in de database. Naast chemische data betroffen dat ook microbiologische data. In een niet-WOT project is nu ook gewerkt aan het opzetten van een database voor gegevens uit de biologische landbouw (BioKAP). Het BOT-mi begint steeds meer bekendheid te krijgen bij de veiligheidsregio s in Nederland maar ook internationaal. In 2007 werd intensief bijgedragen aan de incidenten met de visserstrawler in Velzen en het ontsnappen van een katalysator in de Rijnmond, onder meer ook met analyses van zware metalen en dioxines. Ook werd een bijdrage geleverd aan het LLN-TA. Naar verwachting zullen deze activiteiten toenemen, omdat deze organisaties ook hun expertise verder willen ontwikkelen.

In 2007 is binnen dit thema een start gemaakt met de nieuwe NRL-taken op het gebied van diervoeders. Daarvoor is intensief contact geweest met de Europese CRL s middels het bijwonen van workshops en de deelname aan ringtesten. Ook is er gezamenlijk gewerkt aan het optimaliseren van analysemethodes. Voor de dioxines wordt intensief samengewerkt met het CRL in Freiburg dat naast de GC/MS-methode nu ook de twee CALUX-testen binnen heeft gehaald. In een aantal gevallen werd het CRL ingeschakeld bij disputen omtrent gemeten gehaltes, waarbij de resultaten van het CRL goed overeen kwamen met die van het RIKILT. Uit Duits onderzoek is gebleken dat ook bij de dioxines in guar-gom -affaire regelmatig sprake was van forse under-reporting door commerciële laboratoria.

Naast de snelle en high-troughput screening kan het gebruik van bio-assays ook leiden tot de opsporing van nog onbekende agonisten (emerging risks). Binnen een KB-project is een methode opgezet voor de identificatie van natuurlijke Ah-receptor agonisten in citrusproducten, waarmee met succes de belangrijkste stoffen in marmalade zijn geïdentificeerd. Deze methode wordt nu ook toegepast op gedroogde grassen met een hoge respons in de CALUX-assay. Om een beter inzicht te krijgen in de mate waarin CALUX-signalen al dan niet verklaard kunnen worden door de aanwezige dioxines en dioxineachtige PCB s is verder gewerkt aan het vaststellen van de zogenaamde responsfactoren van alle 29 congeneren. Daarbij zijn de standaarden uitgebreid onderzocht op hun zuiverheid. Met name bij de acht mono-ortho PCB s is dit van belang. Duidelijk is dat deze een relatief lage respons geven die beter aansluit bij de nieuwe, verlaagde, TEF-waardes uit 2006. Met de correcte REP-waardes kan een betere inschatting worden gemaakt van de mate waarin het met de CALUX verkregen signaal kan worden verklaard door de met GC/MS gemeten dioxines en PCB s. Deze aanpak wordt momenteel toegepast op schieraal.

De interventiestudies op kleinere bedrijven met vrije uitloopkippen, o.l.v. ASG, werden afgerond. Duidelijk is dat maatregelen om de opname van grond te beperken effectief zijn, maar dat deze niet altijd aansluiten bij de biologische principes. Het onderzoek werd sterk beïnvloed door de ophokplicht in verband met AI en liet daardoor wel zien dat de belangrijkste bron voor de dioxines in de uitloop zit. De grotere bedrijven lijken het probleem inmiddels onder controle te hebben, met name door maatregelen met betrekking tot de vrije uitloop van de kippen.
De overdrachtsproef met cadmium bij varkens werd vrijwel afgerond en de verkregen data zullen in 2008 door RIKILT en RIVM worden gebruikt voor het opzetten en toetsen van een overdrachtsmodel. In het kader van nieuwe overdrachtstudies is gestart met onderzoek naar pyrolizidine alkaloïden afkomstig uit Jakobskruiskruid. Er is materiaal verzameld waarin de gehaltes met de nu gevalideerde methode voor voeders zullen worden bepaald. Vervolgens zal een overdrachtstudie met runderen worden uitgevoerd.

Het project Biologisch Gezond?, dat werd gecoördineerd vanuit het Louis Bolk Instituut, is eind 2007 afgerond middels het aanbieden van het eindrapport aan minister Verburg. RIKILT heeft binnen dit project onderzoek gedaan naar mogelijke chemische verontreinigingen. Daarnaast is een methode ontwikkeld voor het profileren van de gangbare en biologische ingrediënten die in deze studie aan de kippen zijn gevoerd. Met deze methode werden duidelijke verschillen waargenomen tussen de diverse producten, maar het verband met de waargenomen verschillen in gezondheid is nog niet duidelijk. Bij dit onderzoek is ook gebruik gemaakt van de nieuwe LC-ICP-MS, waarmee een groot aantal verschillende elementen in één analyserun bepaald kunnen worden.

Resultaten van de diverse projecten zijn door het RIKILT in samenwerking met de diverse partners gepresenteerd tijdens wetenschappelijke bijeenkomsten en in diverse artikelen in vaktijdschriften en meer algemene tijdschriften.

Publicaties bij dit programma zijn beschikbaar via deze Link

Related organisations

Related people

Project leader Dr.ir. L.A.P. Hoogenboom

Related research (upper level)

Related research (lower level)

Classification

A71000 Nutrition

Go to page top
Go back to contents
Go back to site navigation