| - Vraagstelling: (1) In welke mate kunnen mensen met een tetraparese op basis van een dwarslaesie het functieverlies van schoudergordel-, arm- en handmusculatuur actief compenseren? (deelstudie 1). (2) Hoe ontwikkelen zich patronen van alternatief spiergebruik voor de AHF's gedurende het revalidatieproces bij patiënten met een tetraparese op basis van een dwarslaesie? (deelstudie 2). (3) Wat is de invloed van geïsoleerde spiertransposities op bestaande bewegingssynergieën van het schouder-arm-complex bij patiënten met een tetraparese en wat zijn de mechanische gevolgen ten aanzien van belasting/belastbaarheid van het schouder-arm-complex? (deelstudie 3). - Doel: Doel van het onderzoek is: 1) inzicht te krijgen in de manier waarop nieuwe sturingspatronen voor arm-handfunctie (AHF), mede van belang voor omgevingsmanipulatie, rolstoelgebruik en mobiliteit, zich ontwikkelen bij mensen met een tetraparese op basis van een cervicale dwarslaesie gedurende en na hun actieve revalidatieproces; 2) het evalueren van de gevolgen van genoemde aanpassingen in de bewegingssturing op arm- en handgebruik in ADL omstandigheden, gegeven de gewijzigde sensomotorische randvoorwaarden. - Methode: Deelstudie 1: Cross-sectioneel, quasi-experimenteel onderzoek. Deelstudie 2: Longitudinaal, klinisch, quasi-experimenteel onderzoek. Deelstudie 3: Longitudinaal, klinisch onderzoek. In een eerste fase van het onderzoek worden een beperkt aantal gestandaardiseerde bewegingstaken voor de bovenste extremiteiten ontwikkeld en gevalideerd als aanvulling op de reeds bestaande set van AHF-taken uit eerder iRv onderzoek. In deelstudie 1 wordt, in een transversaal onderzoek-design, onderzocht in welke mate het spiergebruik tijdens taakuitvoering verschilt tussen oud-revalidanten met een tetraparese en personen zonder sensomotorische aandoeningen. De groep personen met een tetraparese wordt onderverdeeld in twee subgroepen, waarbij niveau van sensomotorische uitval C5/C6 (= hoge laesie-groep) en C7/C8 (= lage laesie-groep) maatgevend is. In deelstudie 2 wordt de ontwikkeling van nieuwe, gecoördineerde patronen van spiergebruik tijdens AHF-taakuitvoering bij tetraparese-patiënten gedurende hun actieve revalidatieperiode onderzocht. Twee groepen van elk 15 klinisch residente patiënten met een laesie t.h.v. C5/C6 of C7/C8 nemen deel. In deelstudie 3 worden de effecten van geïsoleerde spiertransposities op veranderingen in sturingsprocessen bij AHF-taakuitvoering onderzocht. |