KNAW

Research

Problems with the functionality of the uterus and ovarian of high productive cows

Pagina-navigatie:


Update Research data


Title Problems with the functionality of the uterus and ovarian of high productive cows
Period 2005 - 2007
Status Completed
Research number OND1306201

Abstract (NL)

[Introductie]:
Gebaseerd op de hypothese dat het voorkomen van zgn. sponzige CLs (een vanuit de veterinaire praktijk gediagnosticeerd fenomeen waarbij sprake is abnormale, grote, sponsachtige CLs met vetweefsel in niet-cyclische, hoogproductieve melkkoeien) geassocieerd zijn met het optreden van verlengde luteale fasen tijdens de (vroege) post partum bij hoogproductieve melkkoeien is er in 2004 op de Faculteit Diergeneeskunde een onderzoek gestart naar de achtergronden en mogelijke (voedings- en management) oorzaken van dit vruchtbaarheidsprobleem (Fase I).
Na de afronding van het voedingsverslag door Ir. M. de Kleine (stagiaire LUW, afstudeervak uitgevoerd op de Faculteit Diergeneeskunde) zijn op 14 november jl. de resultaten en conclusies van het onderzoeksproject onder de scriptietitel Corpus Luteum function and morphology in relation to nutrition in Dairy Cows (het verslag is reeds in uw bezit) gepresenteerd door veterinair studente Drs. M.J. Uijtewaal, na een jaar onderzoek ( 04- 05) te hebben uitgevoerd binnen het zgn. Excellent Tracé Onderzoekstraject op de Faculteit Diergeneeskunde.
Spongy Corpora Lutea (CL) in het toegepaste voedingsmodel experimenteel op te wekken cq. te induceren. Er werden géén verlengde luteale fasen in de experimentele groep proefkoeien waargenomen en de progesteron-profielen waren niet afwijkend. Ook was er geen sprake van de in eerder beschreven pilot studies vetinfiltratie en/of hyper-vascularisatie in de bestudeerde CLs. In dit experiment werden de onderzoekskoeien individueel gevoerd met een typisch rantsoen: lage hoeveelheden suiker en pens fermenteerbare zetmeel en een relatief hoge fractie aan pens onverteerbaar zetmeel, in combinatie met hoge hoeveelheden eiwit (met name raapzaadschroot). Wel is er in dit onderzoek uitgebreid aandacht geweest voor 1. de ontwikkeling van histo-morfologische technieken (immuno-histochemische studies) ter visualisering van CL specifieke kwaliteitsmarkers, en 2. zijn er uitgebreide experimenten gedaan om interessante voortplantingsgerelateerde (groei)factoren (IGF-1, Leptine) middels Q-PCR te kwalificeren/kwantificeren door het aantonen van die factoren dan wel de aan(af)wezigheid van hun receptor.
Concluderend werd er in het verslag gesteld (citaat): sponzige CLs worden niet direct geïnduceerd door raapzaadschroot of een rantsoen met een hoog eiwit gehalte en een disbalans in eiwit en energie op pensniveau . De studie heeft daarnaast veel informatie opgeleverd over de macro- en microscopische morfologische van het CL: er is sprake van een grote variatie (in afmeting en in vorm) in zowel Cls als in Cl-holten. CL-holten werden regelmatig in de bestudeerde CLs geobserveerd: het voorkomen heeft geen negatief effect op de CL functie (lees: progesteron productie). Voor zover bekend is het voor de eerste maal dat de aanwezigheid van vetweefsel in CLs is gedocumenteerd. Tot slot, zijn er verschillende histologische methoden ontwikkeld om in CL weefsel de luteale cellen en de mate van vascularisatie te kwalificeren en kwantificeren.
[Vervolgonderzoek]:
In de uitgevoerde studie in 04- 05 (Fase I) zijn de volgende aanbevelingen gedaan voor vervolgonderzoek: voordat opnieuw dierexperimenten worden opgesteld (bijv. interventie experimenten en/of in vitro studies) is het van groot belang en noodzakelijk om 1. opnieuw het fenomeen sponzige CLs goed te definiëren én 2. te bepalen of er inderdaad sprake is van een relatie met of oorzaak van een fertiliteitsprobleem (lees: verlengde luteale fase).
[Introductie]:
Het uitvoeren van een uitgebreide, inventariserende veldstudie (Fasen II en III) is absoluut noodzakelijk, waarbij (mogelijk) sponzig-gediagnostiseerde CLs longitudi-naal op bedrijfsniveau worden vervolgd. Afhankelijk van de uitkomsten van Fase II, wordt in Fase III van de studie een gerichte analyse van metabole factoren uitgevoerd in de monsters die zijn verzameld tijdens de veldstudie (Fase II).
Voor het uitvoeren van de veldstudie (Fase II) worden de volgende doelen gesteld:
a. identificeer melkveehouderijbedrijven met een specifiek fertiliteitsprobleem op koppelniveau dat is terug te voeren/gerelateerd aan sponzige Cls die middels rectaal onderzoek zijn gediagnostiseerd (lees: bedrijven met een hoge prevalentie sponzige CLs ).
b. Bepaal het niveau van dier-, koppel-, en bedrijfsmanagement voordat er maatregelen zijn genomen op het gebied van voeding en management.
c. Longitudinale observatie van de managementparameters en onderzoek hierbij de mogelijk bestaande correlaties tussen deze parameters en de uitleesparameters als: wel/niet sprake van sponzige CLs , fertiliteitstatus (primaire & secundaire kengetallen) en melkproductie (kg, vet en eiwit) om zo de meest relevante en gerelateerde omstandigheden te bepalen.
d. Longitudinale observatie van de sponzige CLs door het nemen van CL-biopten, middels de in Fase I ontwikkelde transvaginale, onder transrectale echografie begeleide, punctietechniek (nog te valideren). Het onderzoek wordt uitgevoerd op basis van de in de afgeronde studie (Fase I) ontwikkelde laboratoriumtechnieken.
Materiaal en Methode
Voor de veldstudie dienen (hoogproductieve HF koeien) melkveehouderijbedrijven te worden geselecteerd die (kunnen) voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. aangesloten bij de melkcontrole
b. bedrijfsgrootte > 150 koeien (ter selectie van controle (géén Sponzig CL ) en experimentele (mét sponzig CL ) dieren
c. vruchtbaarheidsproble(e)m(en) op basis data en data-analyse
d. managementcomputersysteem (retro- en prospectieve productie- en reproductiegegevens)
e. analyses van voeding, rantsoengegevens, voedercomponenten
f. (zoötechnisch-veterinaire) behandelingen per individuele koe
g. geen rantsoenwijziging doorvoeren (minimaal 1 maand na de gestelde diagnose) totdat voldoende waarnemingen zijn uitgevoerd en monsters zijn verzameld (vraagt medewerking en bereidheid veehouder)
De volgende clusters parameters(*) worden verzameld en vastgelegd en experimentele dieren:
a. voeding (oa. samenstelling rantsoenen, kwaliteit)
b. melkproductie (oa. kg, gehalten)
c. koe factoren/koe signalen (oa. BCS, pensvulling)
d. ruwvoerwinning en analyse
e. vruchtbaarheidstatus zoötechnische en veterinaire interventies
f. laboratoriumonderzoek (bloedmonsters, CL biopsie materiaal)
g. algemeen bedrijfsmanagement
h. gegevens van rectaal (echografisch) fertiliteitsonderzoek (* nog nader uit te werken en in te vullen sub-parameters)
Tijdsschema van de veldstudie voor 1 bedrijf:
Periode I: verzamelen van gegevens voordat interventie wordt uitgevoerd à minimaal 1 maand (ea. afhankelijk van de geboden mogelijkheid/ situatie)
Periode II: verzamelen van gegevens nadat corrigerende advies wordt uitgevoerd à minimaal 2 maanden (ea. afhankelijk van de geboden mogelijkheid/ situatie)
Periode III: data analyse, interpretatie en rapportering à 3 maanden

Related organisations

Related people

Project leader Dr. S.J. Dieleman

Classification

A22000 Animal husbandry
D21700 Physiology

Go to page top
Go back to contents
Go back to site navigation