Doel Vragen waar dit thema zich op richt zijn: Wat is de benodigde ruimtelijke samenhang, omvang en draagkracht van natuurgebieden? , In hoeverre zijn de doelen ten aanzien van biodiversiteit te combineren met andere functies? , en Wat is de invloed van verstoring? .
Werkwijze In het subthema Ruimtelijke samenhang EHS wordt onderzocht wat de invloed is van de omslag van verwerving naar beheer op de inrichting van robuuste verbindingen. Kunnen de beleidsdoelen voor de robuuste verbindingen worden bereikt met particulier en agrarisch natuurbeheer of zijn er aanpassingen nodig? In de Nota Ruimte en de Agenda Vitaal Platteland is aangekondigd dat de provincies, met behoud van de oorspronkelijke ambitie, de begrenzing van de EHS kunnen aanpassen, om daarmee de ruimtelijke samenhang te verbeteren. Onderzocht wordt hoe de ruimtelijke samenhang nog kan worden geoptimaliseerd in dit stadium van realisatie van de EHS. Met betrekking tot verstoring en natuurkwaliteit vindt onderzoek plaats naar de effecten van laagvliegen over natuurgebieden. Laagvliegen vindt bij voorkeur plaats in dunbevolkte gebieden, maar hier liggen nu juist vaak natuurgebieden, zoals de Waddenzee bijvoorbeeld. Nederland stelt zich ten doel de biodiversiteit in stand te houden. Een klein deel van de circa 44.000 soorten die in Nederland voorkomen worden momenteel echter beschermd. In het subthema Vogel- en Habitatrichtlijnen wordt daarom verkend in hoeverre de doelsoorten en de beschermde gebieden representatief zijn voor de biodiversiteit. De doelen voor biodiversiteit kunnen niet worden bereikt in geïsoleerde Natura 2000-gebieden. De gebieden dienen ruimtelijk samen te hangen in een netwerk. Onderzocht wordt welke bijdrage de zogenaamde robuuste verbindingen leveren aan het vergroten van de ruimtelijke samenhang voor de doelsoorten van de Vogel- en Habitatrichtlijn-(VHR-)gebieden. Daarnaast wordt de vraag onderzocht in hoeverre ruimtelijke samenhang altijd gewenst is; er kunnen ook soorten zijn waarvoor enige isolatie nodig is, bijvoorbeeld om kolonisatie van predatoren of vestiging van concurrerende soorten te voorkomen. Het subthema Europees Ecologisch Netwerk richt zich op de vraag die op Europees niveau speelt naar een samenhangend netwerk van natuurgebieden. Zeker als ook de effecten van klimaatverandering worden beschouwd, is het belangrijk om te weten hoe verschuivingen in de areaalgrenzen van soorten zo goed mogelijk kunnen worden opgevangen. Nu al blijken vooral soorten met een goed verspreidingsvermogen en een brede habitatkeuze zich naar het noorden uit te breiden. Hoe moet de ruimtelijke structuur van natuurgebieden worden aangepast om ook ruimte te bieden aan soorten met minder verspreidingsvermogen en zogenaamde habitatspecialisten? Binnen Nederland speelt de vraag in hoeverre de robuuste verbindingen in staat zullen zijn de effecten van klimaatverandering op te vangen.
Resultaten De resultaten van het onderzoek uit dit thema zijn van belang voor het ministeries van LNV, V&W, VROM, Provincies, Gemeentes, IPO, ProRail, particuliere initiatiefnemers rond Natura 2000, terreinbeherende organisaties, soort(en)beschermende organisaties, European Centre for Nature Conservation (ECNC), Europese Commissie, DLG en agrarische natuurverenigingen.
Publicaties bij dit programma zijn beschikbaar via deze Link |