KNAW

Onderzoek

Functionele Agro Biodiversiteit

Pagina-navigatie:


Wijzig gegevens


Titel Functionele Agro Biodiversiteit
Looptijd 01 / 2005 - onbekend
Status Afgesloten
URL http://www.lto.nl/projecten/fab/FolderFAB.pdf
Onderzoeknummer OND1306908

Samenvatting

[Kennisbehoefte doelgroep]:
Optimale benutting van groenblauwe dooradering in de omgeving voor plaagregulatie in akkerbouwgewassen door meer kwantitatief inzicht te krijgen in de ruimtelijke samenhang tussen bronnen van plagen en natuurlijke vijanden.
Dit houdt in:
Praktische ontwikkeling van biodiversiteit gericht op de stimulering van natuurlijke vijanden van luizen, koolmotje en slakken in de teelten in de Hoekse Waard.
Praktische ontwikkeling van de biodiversiteit in het gebied, waardoor het voorkomen van plaagorganismen (luizen, koolmotje en slakken) in de teelten zoveel mogelijk wordt onderdrukt.
Het toetsen van de efficiëntie van verschillende biodiversiteitcomponenten op de populatieontwikkeling en overwinteringkansen van natuurlijke vijanden van luizen, koolmotje en slakken in de teelten in de Hoekse Waard.
Tevens het toetsen van de efficiëntie van biodiversiteitcomponenten op het voorkomen van een uitbundige ontwikkeling van de populatie van plaagorganismen (luizen, koolmotje en slakken) in de teelten.
Het ontwikkelen en implementeren van een geïntegreerd gewasbeschermingplan voor de teelten in de Hoekse Waard, waarin bedreigende factoren, zoals bepaald insecticidengebruik, voor functionele biodiversiteit worden verminderd en uiteindelijk uitgesloten.
Het ontwikkelen van een gebiedsgericht biodiversiteitplan voor de Hoekse Waard voor de stimulering van functionele natuurlijke vijanden van luizen, koolmotje en slakken evenals het onderdrukken van uitbundige ontwikkeling van deze plaagorganismen in de teelten. Dit wordt stapsgewijs (jaarlijks) aangepast en uitgevoerd.
[Doel]:
Het project richt zich op de lange termijn op een optimale ontwikkeling en functionele benutting van een biodivers agro-ecosysteem. Uitgangspunt daarbij is een vitale omgeving waarin voldoende biologische diversiteit bestaat met een duurzaam karakter en sterk evenwicht. De gebiedsbenadering is daarbij essentieel vanwege de populatiedynamica van de organismen en de interacties met (landbouwkundige) maatregelen op gebieds- en perceelsniveau
[Werkwijze]:
Algemeen: Op basis van de evaluatie van de resultaten van 2005 zal een werkplan voor 2006 en 2007 worden opgesteld. Aan verschillende nog niet genoemde aspecten van functionele agrobiodiversiteit kan de komende jaren eventueel meer aandacht worden besteed. Bijvoorbeeld het gebruik van resistente of tolerante rassen, het omgaan met gewasresten als overwinteringshabitat van plaagorganismen, en het behandelen van akkerranden langs sloten met parasitaire aaltje tegen slakken. Verder kan aandacht worden gegeven aan sloten als mogelijke barrière voor de verspreiding van natuurlijke vijanden, en het inzaaien van eenjarige kruiden op braakliggende percelen. Mogelijk kan een Nederlandstalige handleiding voor het toepassen functionele biodiversiteit op agrarische bedrijven opgesteld worden. Ter afsluiting kan een landelijk symposium georganiseerd worden.Deze ideeën zullen na de jaarlijkse evaluatie met de opdrachtgever en deelnemers worden besproken en worden uitgewerkt in de jaarlijkse werkplannen.
[1. Inrichting gebied]:
1.1.Monitoring
De vegetatiesamenstelling in de verschillende stroken zal éénmaal per seizoen worden vastgesteld (vegetatieopnames volgens de Tansley methode).
Voor de monitoring van de plagen en hun natuurlijke vijanden zie hoofdstuk 2 t/m 4.
1.2.Communicatie (intern, in samenspraak met DLV)
De principes en de methodiek van de FAB zal met de deelnemende ondernemers worden besproken. De gebiedscoördinator neemt daarvoor het initiatief, onderzoekers zijn adviserend en ondersteunend. De locatie van de verschillende eenjarige randen wordt met de ondernemers in onderling overleg in februari 2006 definitief vastgesteld; de locatie van permanente randen wordt geëvalueerd en waar nodig vinden aanpassingen plaats.
1.3. Planning
Eind februari 2006 worden kaarten in concept voorgelegd aan deelnemers.
In maart-april 2006 worden eventuele nieuwe eenjarige randen ingezaaid.
Door de gebiedsbegeleider worden afspraken in januari 2006 over aanleg en beheer van de verschillende randen met deelnemers geëvalueerd en opnieuw vastgelegd. In maart een overleg met het Waterschap voor afspraken over verbeterd beheer van dijken, bermen, slootkanten e.d., en voor afstemming van de monitoringsinspanningen.
[2. Koolmotje in kool]:
2.1.Inrichting
Het streven is het percentage bloemenstroken/ kopakkers op bedrijven op te voeren (over de jaren) tot 3-5 % van het oppervlak.
Langs een deel van de spruitkoolpercelen worden in 2006 éénjarige akkerranden van bloemensoorten aangelegd, gericht op de stimulering van koolmotparasieten en vliegende bladluisvijanden (met name sluipwespen, zweefvliegen, galmuggen en gaasvliegen).
2.2. Monitoring
Het meten van het effect van de diverse typen randen op de koolmot- en bladluispopulaties in het gewas gebeurt door PRI en NIOO in nauwe onderlinge afstemming. De ruimtelijke effecten van de akkerranden wordt vastgesteld door tellingen uit te voeren op spruitkoolplanten in transecten loodrecht op de bloemenrand, viermaal tijdens het groeiseizoen. Hierbij worden de dichtheden van de koolmot bepaald, alsook de parasitering van de koolmot (PRI). Voor een beter zicht op de ontwikkelingen in de tijd wordt tevens 8 keer in het seizoen (mei september) tellingen van koolmot en zijn natuurlijke vijanden op spruitkoolplanten gedaan, op een vaste afstand van de randen (NIOO). Beide tellingen gebeuren voor elk de vier typen randen in elk van de percelen (NIOO). Daarnaast zal vier keer een inventarisatie gemaakt worden van de natuurlijke vijanden in de randen zelf. In de randen wordt in de vangplanten viermaal per seizoen de koolmot populatie geteld.
Resultaten worden vastgelegd in een beknopt verslag en besproken met de deelnemers met als uiteindelijke doel het gezamenlijk versterken van een groen netwerk van perceelsranden en kopakkers, in samenhang met het omringende landschap.
2.3. Communicatie (intern, in samenspraak met DLV)
De deelnemers krijgen opnieuw in het voorjaar van 2006 aanvullende instructie over de nevenwerkingen van middelen op natuurlijke vijanden en over het tellen van rupsen en bladluizen (minimaal tweemaal in het seizoen) in hun koolpercelen. Bij deze instructie krijgen deelnemers zoekkaarten en begeleiding voor de herkenning van natuurlijke vijanden van rupsen en bladluizen. Met deze instructies wordt beoogd dat deelnemers in de keuze van gewasbeschermingsmiddelen meer rekening houden met negatieve effecten op natuurlijke vijanden, dat deelnemers overgestapt zijn van routinematige bestrijding van plagen naar een geleide bestrijding, d.w.z. pas ingrijpen na vaststelling van een populatie boven de schadedrempel, en dat op beperkte delen van percelen waar biodiversiteits-maatregelen worden getoetst, de deelnemer afziet van insecticidebespuitingen (tenzij grote schade zou dreigen).
Demonstratie aan deelnemers op demo dagen van voorlopige resultaten van waarnemingen aan koolmot, zo mogelijk met toelichting in het veld. Er verschijnt een artikel in een vaktijdschrift (bv. Groente en Fruit) waarin de resultaten van de verschillende maatregelen en de ervaringen van de deelnemers worden besproken.
2.4. Planning
Monitoring van de effectiviteit van akkerranden vindt op regelmatige tijdstippen in het groeiseizoen plaats. Aan het eind van het seizoen worden de resultaten gerapporteerd.
In april-mei vindt de veldinstructie deelnemers plaats voor tellen van bladluizen en herkenning van natuurlijke vijanden. In april-mei is ook de zoekkaart klaar en ontvangen deelnemers informatie over nevenwerkingen van middelen. In juli-augustus wordt de demo gegeven.
In het najaar wordt een artikel in een vaktijdschrift gepubliceerd.
[3. Bladluizen in kool, graan en aardappelen]:
3.1. Inrichting
Langs een deel van de percelen worden opnieuw in 2006 éénjarige akkerranden van bloemensoorten aangelegd, gericht op stimulering van koolmotparasieten en vliegende bladluisvijanden (sluipwespen, zweefvliegen, galmuggen en gaasvliegen). Bovendien wordt een deel van de akkerrand ingericht met planten die koolmotjes aantrekken (vangplanten). Bij voorkeur is de gekozen vangplant (relatief) ongeschikt voor de melige koolluis en de perzikluis.
3.2. Monitoring
Het meten van het effect van de diverse typen randen op de koolmot- en bladluispopulaties in het gewas gebeurt door PRI en NIOO in nauwe onderlinge afstemming. De ruimtelijke effecten van de akkerranden wordt vastgesteld door tellingen uit te voeren op spruitkoolplanten in transecten loodrecht op de bloemenrand, viermaal tijdens het groeiseizoen. Hierbij worden de dichtheden van de bladluizen bepaald, alsook hun parasitering en het voorkomen van natuurlijke vijanden (PRI). Voor een beter zicht op de ontwikkelingen in de tijd wordt tevens 8 keer in het seizoen (mei september) tellingen op spruitkoolplanten gedaan, op een vaste afstand van de randen (NIOO). Beide tellingen gebeuren voor elk de vier typen randen in elk van de percelen (NIOO). Daarnaast zal vier keer een inventarisatie gemaakt worden van de natuurlijke vijanden in de randen zelf.
De resultaten worden vastgelegd in een database en een beknopt voortgangsverslag.
3.3. Communicatie (intern, in samenspraak met DLV)
De deelnemers krijgen in 2006 aanvullende instructie over middelengebruik en monitoring zoals aangegeven in 3.3. Demonstratie aan deelnemers op demo dagen van voorlopige resultaten van waarnemingen aan melige koolluis, zo mogelijk met toelichting in het veld. Tevens wordt tweemaal een bijeenkomst georganiseerd met de verschillend stakeholders waarin de voorlopige bevindingen aan resultaten en proces worden bediscussieerd.
Er verschijnt een artikel in een vaktijdschrift (bv. Groente en Fruit, Oogst, Boerderij) waarin de resultaten van de verschillende maatregelen en de ervaringen van de deelnemers worden besproken.
3.4. Planning
Monitoring effectiviteit akkerranden vindt op regelmatige tijdstippen in het groeiseizoen (mei-october) plaats. Aan het eind van het seizoen worden de resultaten gerapporteerd.
In april-mei vindt de veldinstructie deelnemers plaats voor tellen van bladluizen en herkenning van natuurlijke vijanden. April-mei is ook de zoekkaart klaar en ontvangen deelnemers informatie over nevenwerkingen van middelen. In juli-augustus wordt de demo gegeven. In juli-augustus en aan het eind van 2005 worden bijeenkomsten georganiseerd.
In het najaar wordt een artikel in een vaktijdschrift gepubliceerd.
Er verschijnt een artikel in een vakblad (Oogst of Boerderij) waarin de resultaten van de verschillende maatregelen en de ervaringen van de deelnemers worden besproken.
[4. Aardslakken]:
4.1. Inrichting
Percelen worden niet specifiek ingericht. De ondernemers maken zelf een inschatting welke percelen zij slakkenschade verwachten, en wegen af of de inzet van ferromol gerechtvaardigd is.
4.2. Monitoring
D.m.v. potvalvangsten in de bovengenoemde percelen en aangrenzende akkerranden, bermen of oevers worden een inventarisatie gemaakt van de aanwezige loopkever- en kortschildkeverfauna. Potvallen worden op 8 locaties ingezet gedurende 4 x 2 weken. Afhankelijk van de informatie uit de literatuur worden uit deze inventarisatie de lokaal aanwezige natuurlijke vijanden van slakken geïdentificeerd.
4.3. Communicatie (in samenspraak met DLV)
Op tenminste 2 percelen met te verwachten slakkenschade (bijvoorkeur in kool) wordt een strook langs een akkerrand niet behandeld met ferromol. Hierop wordt een blokkenproef aangelegd van: onbehandeld, ferromol en aaltjes (Nemaslug) in tenminste 2 herhalingen per perceel.
Deze behandelingen worden geëvalueerd door tenminste 2 tellingen (1 week en 3 weken na opkomst) van zaailingen uitval en d.m.v. directe slakkentellingen op telplekken (10 m2). De aangetroffen soorten slakken worden geïdentificeerd.
4.4. Planning
Eind februari zijn percelen met mogelijke slakkenproblemen bekend.
In april wordt de demo met aaltjes aangelegd en worden behandelingen uitgevoerd.
In april-mei worden slakken en zaailingen geteld.
In april- juni staan potvallen.
In juni wordt de quick scan uitgevoerd.

Samenvatting (EN)

[Knowledge need]:
Optimal use of a green-blue network in the environment for plague regulating in open field crops through a improved quantitative understanding of the interaction between pests and diseases and the biological enemies.
[Objective]:
The project focuses on a long term optimal development and functional use of a divers agro-ecosystem. Its point of departure is a vital environment in which sufficient biological diversity exists with a permanent character and strong balance. The territory approach is essential because of the population dynamics of the organisms and the interactions with (agriculturist) measures on territories and lots level.
The vegetation composition in the different strips will become determined one time per season (vegetation recordings according to the Tansley method). For the monitoring of the plagues and their natural enemies, see sections 2 until 4 under chapter 13 .
[Results and products]:
Articles, guided tours, workshops

Betrokken organisaties

Betrokken personen

Projectleider H. van Gurp

Bovenliggende onderzoeksactiviteit(en)

Classificatie

A14000 Natuur en landschap
A21000 Landbouw en tuinbouw
D22400 Ecologie

Omhoog
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie