| Een toenemend aantal bevindingen uit epidemiologische, neurobiologische en neuropsychologische onderzoeken ondersteunt de visie dat mentale activiteit een essentiële rol speelt in de strijd tegen neurodegeneratie en cognitieve achteruitgang. Oefeninggerelateerde effecten in gedragingen die zich voordoen in een specifieke cognitieve functie kunnen vaak gemaskeerd worden door een toename van gelijktijdige of overlappende cognitieve stoornissen, zoals typerend is bij de ziekte van Alzheimer (AD). In de zoektocht naar potentieel effectieve niet-farmacologische behandelingsstrategieën voor de ziekte van Alzheimer is het zodoende van bijzonder belang om de fysiologische effecten van cognitieve trainingsprogramma's te belichten. Ons onderzoek heeft als doel na te gaan in hoeverre neurale plasticiteitsmechanismen behouden worden in AD, wat inhoudt of, en tot welke graad, cognitieve training zou kunnen leiden tot een verandering in taakgerelateerde hersenactivatiepatronen, zoals getoond op functionele afbeeldingen met behulp van magnetische resonantie (fMRI). In aanvulling daarop willen we verhelderen tot op welke hoogte de volledigheid van de cerebrale cortex (onthuld door de meting van N-acetyl-aspartaat [NAA] door proton magnetische resonantie spectroscopie [1H-MRS]) en de volledigheid van de witte materie (getoond door fractionele anisotropie [FA], gemeten met afbeeldingen van diffusie tensoren [DTI]) de fysiologische- en gedragseffecten van cognitieve training in een groep van 20 patiënten met milde tot matige AD kunnen voorspellen. In aanvulling daarop dienen 20 gezonde proefpersonen van vergelijkbare sexe, leeftijd en onderwijsniveau als controlegroep; deze ondergaan dezelfde procedures. Alle patiënten en proefpersonen zullen een initiële DTI-, 1H-MRS- en fMRI-meting ondergaan. Na 2 weken en vervolgens na 4 weken zal de fMRI-meting worden herhaald, om mogelijke taakgerelateerde hersenactiviteit na de controleperiode (de eerste 2 weken, geen training) en de oefenperiode (4 weken, met 3 oefensessies per week) te onderkennen. De oefentaak zal bestaan uit een visueel vertraagde vergelijkingstaak (DDT), waarvan bekend is dat deze de frontale en pariëtale corticale gebieden activeert, die benodigd zijn voor korte-termijn geheugenverwerking. Wij veronderstellen dat zich gedrags- en fysiologische oefeneffecten zullen voordoen in de proefpersonen uit de controlegroep en de Alzheimerpatiënten en dat de mate van deze effecten bepaald zal worden door de hoeveelheid schade aan het corticale metabolisme en in het bijzonder aan de fronto-pariëtale intercorticale verbindingen. |