| Witte stof veranderingen (WML) in de hersenen worden regelmatig aangetoond op MRI scans van oude mensen en patiënten. Hoewel de pathogenese van dit letsel niet goed wordt begrepen, is wel een significante correlatie met leeftijd en hypertensie aangetoond. Bovendien blijkt bij oudere mensen WML sterk geassocieerd met dementie en afname van cognitieve functies. Een familiaire component wordt soms gevonden voor het optreden van deze WML. Een genetische aanleg is mogelijk een belangrijke factor bij de ontwikkeling van deze lesies. Om de genetische oorzaken van WML te onderzoeken, is het gebruik van MRI-scans noodzakelijk. Het wetenschappelijk MRI-project van dr. John van Swieten, Afdeling Neurologie, Erasmus Medisch Centrum Rotterdam, richt zich op genetische oorzaken van witte stof lesies in de hersenen, welke sterk geassocieerd zijn met dementie en hypertensie. De doelstelling van dit onderzoek is: een of meer genetische factoren aantonen die de oorzaak zijn van de ontwikkeling van WML in de hersenen. Van Swietens groep gebruikt hierbij een nieuwe genetisch-epidemiologische benadering, geschikt om genen bij een genetisch geïsoleerde populatie te identificeren. Dit onderzoek wordt uitgevoerd als onderdeel van een lopend researchprogramma, waarin verschillende neurodegeneratieve en andere aandoeningen (dementie, ziekte van Parkinson, diabetes mellitus, hypertensie) worden onderzocht bij deze populatie. Mensen met verminderde cognitieve functies en mensen met hypertensie worden uitgenodigd voor een MRI-scan. De relatie tussen geïdentificeerde genen en het risico op WML wordt bepaald bij deze genetisch geïsoleerde populatie en bij de Nederlandse populatie in het algemeen. WML in de hersenen kan het gevolg zijn van hypertensie, maar ook andere factoren die aan dementie zijn gerelateerd spelen een rol bij de pathogenese. Dit letsel is sterk gerelateerd aan de afname van cognitieve vaardigheden op hogere leeftijd. Er is weinig bekend over de factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van dit letsel. De identificatie van genen, die mogelijk een rol spelen als risicofactoren voor het ontstaan van WML, vergroot onze kennis over het optreden van WML. Mogelijk leidt dit tot therapeutische interventies ter voorkoming van WML. |