KNAW

Research

Strategies for optimizing the nature conservation potential of the Dutch...

Pagina-navigatie:


Update Research data


Title Strategies for optimizing the nature conservation potential of the Dutch Ecological Network and the surrounding multifunctional farm landscape under predicted climate change scenarios
Period 2005 - 12 / 2009
Status Completed
URL http://edepot.wur.nl/21196
URL http://edepot.wur.nl/151115
URL http://edepot.wur.nl/39788
URL http://edepot.wur.nl/160241
Research number OND1310552

Abstract

Context / Social problem
Given that climate is a driver of ecological processes, it is to be expected that climate change will have considerable impacts on biodiversity. A temperature rise will have a direct effect on the ranges of species, and more frequent and heavier extreme weather events will lead to greater fluctuations in population numbers.

What do we know/not know?
Indications of the effects of climate change have already been found in many species, spread over a broad range of taxa (Parmesan and Yohe, 2003, Thomas et al., 2004). There is concern that nature will not be capable of adapting to the changes (IPCC, 2001). Not only is the pace of climate change unprecedented, but the effects of climate change will also be aggravated by deterioration in habitat quality and fragmentation of habitats (Opdam and Wascher, 2004). There are indications that only mobile species and/or species with a broad habitat requirements (generalists) will be capable of reaching the Netherlands as the result of a temperature rise. (Warren et al., 2001).

What is being studied?
1. Is it possible to identify risk groups in response to climate change using species and ecosystem characteristics?
2. Where can we expect bottlenecks in the National Ecological Network because a suitable habitat is in danger of being lost or because the suitable habitat will become inaccessible?
3. Which (spatial) adaptation strategies offer the best opportunities of making nature in the Netherlands climate-proof?

What are the results, and who are they for?
The results from a number of subprojects will be used to determine which species and ecosystems are sensitive to climate change and what effects can be expected. How do these effects relate to national and European biodiversity objectives? Where are the weak spots in the NEN and where are the potential opportunities for nature? Spatial adaptation strategies are being developed, both within and outside the existing NEN. Examples within the NEN include the construction of robust ecological links, expanding nature conservation areas and increasing the internal heterogeneity of conservation areas. In addition, the multifunctional land uses around the NEN increase the permeability of the landscape (interlacing green/blue networks) and improve abiotic conditions (groundwater level, nitrogen deposition).

Stakeholders will be consulted regularly during the course of the project on the feasibility and desirability of certain adaptation strategies. The results will be of value to anyone involved in nature policy and its implementation at the national and regional levels. The multifunctional mantel around the NEN is the area where synergy is sought between climate adaptation strategies for nature and other landscape users, such as water boards, farmers and recreationists

Abstract (NL)

Wat onderzoeken we?
Het klimaat is een drijvende factor voor veel ecologische processen en klimaatverandering heeft daarom grote invloed op de natuur. Temperatuurverhoging grijpt direct in op de verspreidingsgebieden van soorten. Daarnaast zal het frequenter en heviger optreden van weersextremen grotere aantalfluctuaties van populaties tot gevolg hebben. De vraag is hoe de natuur zo goed mogelijk kan meebewegen met deze veranderingen.

Onderzoeksvragen
1. Is het mogelijk om op basis van eigenschappen van soorten en ecosystemen bepaalde risicogroepen in de respons op klimaatverandering te onderscheiden?
2. Waar zijn binnen de EHS bottlenecks te verwachten, omdat het geschikte leefgebied uit Nederland dreigt te verdwijnen of omdat het geschikte leefgebied onbereikbaar zal worden?
3. Welke (ruimtelijke) adaptatiestrategieën binnen èn buiten natuurgebieden bieden de beste kansen voor het klimaatbestendig maken van de Nederlandse natuur?

Resultaten tot nu toe
1. Soorten met een noordelijk areaal verdwijnen terwijl soorten met een zuidelijk areaal ons land koloniseren. Eén van de effecten van klimaatverandering is dat de geschikte klimaatzones voor soorten verschuiven. De verspreidingsgebieden verschuiven naar het noorden en bergopwaarts. Voor Nederland betekent dit dat warmteminnende soorten ons land zullen koloniseren, terwijl de omstandigheden voor koudeminnende soorten met een Noord-Europese verspreiding juist ongunstiger worden. Dit is bijvoorbeeld al goed te zien aan de populatietrends van koudeminnende, warmteminnende en neutrale soorten sinds 1990 in Nederland.

2. Versnippering versterkt de effecten van klimaatverandering
Soorten kunnen geschikt geraakte leefgebieden alleen koloniseren als voor hen de afstanden ook overbrugbaar zijn. In het verstedelijkte Noordwest Europa zijn de natuurgebieden versnipperd en vormen snelwegen en intensieve agrarische gebieden barrières voor veel soorten. In het BRANCH project ( www.branchproject.org) zijn voor moerassen, bossen en graslanden locaties aangegeven waar ruimtelijke adaptatie nodig is, zoals het koppelen van geïsoleerde gebieden aan het dichtsbijzijnde klimaatbestendige netwerk en het vergroten van het kolonisatievermogen. Adaptatie aan klimaatverandering vraagt om samenhang van natuurgebieden op internationale schaal, waarbij de Natura 2000 gebieden als uitgangspunt kunnen dienen (zie Vos et al. 2008).

3. Als het klimaat te snel verandert kunnen soorten het tempo niet bijhouden.
Het tempo van de klimaatverandering, de grootte van het verspreidingsgebied en het tempo waarmee een soort in staat is geschikt geraakte gebieden te koloniseren bepaalt de overleving. Een goede ruimtelijke samenhang van leefgebieden draagt bij aan de kolonisatiesnelheid. Echter, nog belangrijker is het afremmen van het tempo van de opwarming (zie Schippers et al. Submitted).

4. Gunstige maatregelen voor biodiversiteit én boeren
Klimaatverandering zal niet alleen grote gevolgen hebben voor de natuur. Ook andere vormen van landgebruik zoals waterbeheer en landbouw voelen de gevolgen. Klimaatverandering leidt bijvoorbeeld tot een uitvergroting van extremen in de waterhuishouding. Aan de ene kant zijn er meer droge periodes in de zomer en anderzijds treedt vaker extreme wateroverlast op bij piekafvoeren. In het BSIK project onderzoeken we hoe boeren door de aanleg van bijvoorbeeld bloemrijke akkerranden, houtwallen en waterlopen kunnen bijdragen aan de regionale waterhuishouding. Dit bevordert tevens de samenhang van het landschap tussen natuurgebieden voor verschuivende soorten en stimuleert de biodiversiteit in het agrarische gebied. Wat zijn de kosten en baten van deze maatregelen in multifunctionele landschappen?

Hoe pakken we het aan?
De input vanuit de praktijk is voor het onderzoek essentieel. Daarom wordt elk jaar een bijeenkomst georganiseerd waarin voorlopige resultaten aan stakeholders worden voorgelegd en besproken.
Suggesties worden zo meegenomen in het lopende onderzoek. Ook nemen de onderzoekers regelmatig deel aan workshops en geven op verzoek presentaties. In projectverband vindt regelmatig overleg plaats tussen de verschillende partners. Partners zijn: De Vlinderstichting, SOVON, Centrum voor Milieuwetenschappen Universiteit Leiden, FLORON, Nationaal Herbarium, Wageningen Universiteit en de instituten PRI en Alterra, beide onderdeel van Wageningen UR.

Related organisations

Related people

Researcher Ir. H.J. Agricola
Researcher Dr. P.F.P. Arens
Researcher Dr. J.M. Baveco
Researcher Prof.dr. F. Berendse
Researcher Dr.ir. H.F.M. ten Berge
Researcher Dr.ir. T.M. Bezemer
Researcher Dr.ir. M. Blom-Zandstra
Researcher Dr.ir. J.F.F.P. Bos
Researcher Drs. R.J.F. Bugter
Researcher Dr.ir. M.M.P. Cobben
Researcher Drs. A. Cormont
Researcher J. Elderson
Researcher Ir. M. van Eupen
Researcher R. Geerts
Researcher Dr.ir. W. Geertsema
Researcher Drs. P.W. Goedhart (MSc.)
Researcher Dr. C.J. Grashof-Bokdam
Researcher Ir. E.A. van der Grift
Researcher Dr. R.H.A. van Grunsven
Researcher Drs. T. Hoogland
Researcher Ing. R. Jochem
Researcher Prof.dr.ir. H. van Keulen
Researcher Dr.ir. H. Korevaar
Researcher Dr. K. Kramer
Researcher Dr. A.T. Kuiters
Researcher Dr. C. Kwakernaak
Researcher Dr. L.A.P. Lotz
Researcher Ing. H.A.M. Meeuwsen
Researcher L.G. Moraal
Researcher Drs. B.S.J. Nijhof
Researcher Prof.dr. P.F.M. Opdam
Researcher F.G.W.A. Ottburg
Researcher Dr. M.P.C.P. Paulissen
Researcher Dr. G.B.M. Pedroli
Researcher Ir. M. Pierik
Researcher Drs. R. Pouwels
Researcher Dr. M.J.S.M. Reijnen
Researcher Drs. S.A.M. van Rooij
Researcher Ing. B. Rutgers
Researcher Dr. M.J. Schelhaas
Researcher Dr.ir. P. Schippers
Researcher A.G.M. Schotman
Researcher Ing. P.A. Slim
Researcher Dr. M.J.M. Smulders
Researcher Dr. E.G. Steingröver
Researcher Dr. W.L.M. Tamis
Researcher Dr. E.M. Veenendaal
Researcher Dr. J. Verboom-Vasiljev
Researcher Dr. A. Verhagen
Researcher W. de Visser
Researcher Ir. G.W.W. Wamelink
Researcher R.M.A. Wegman
Researcher Dr. H.P. Wolfert
Researcher Ing. M. van 't Zelfde
Project leader Dr. C.C. Vos

Classification

A14000 Nature and landscape
D22400 Ecology

Go to page top
Go back to contents
Go back to site navigation