Doel - Verwerven van inzicht in de risico s van verontreiniging en andere stress op het functioneren van bodembiodiversiteit. - Bijdrage aan de ontwikkeling van biologische referentiewaarden in relatie tot bodem en landgebruik. De biologische referenties zijn bedoeld als hulpmiddel voor de bodembeheerder, en niet als generieke norm. br> - Ontwikkelen van kennis over de relaties tussen bodemleven, nutriëntenretentie en beheersmaatregelen, waaronder bemesting.(duurzame landbouw) en verschraling (natuurherstel). - Identificatie van groepen organismen en/of functies die het meest talrijk of actief zijn in bodems met geringe nutriëntenverliezen (landbouw) en/of lage nutriëntenbeschikbaarheid (natuur).
Werkwijze: Om tot een duurzamer bodemgebruik te komen is een lagere nutriëntenbeschikbaarheid in de bodem noodzakelijk, zowel in de landbouw als bij natuurherstel. De huidige bacteriegedomineerde ecosystemen in bodems die intensief voor landbouw worden gebruikt kunnen bij een lagere nutriëntendruk weer terugontwikkelen naar systemen met een hogere schimmel/bacterie verhouding. Bodems met een hogere schimmel/bacterie verhouding zijn beter in staat om ecosysteemdiensten te leveren, zoals natuurlijke bodemvruchtbaarheid en goede bodemstructuur. Hierbij spelen niet alleen schimmels maar ook andere organismen een rol. Daardoor zijn minder externe inputs (kunstmest en bestrijdingsmiddelen) nodig voor de gewasproductie en vindt navenant minder afwenteling plaats. Micro-organismen en bodemdieren leveren een belangrijke bijdrage aan de omzetting van organische stof in de bodem. De mate waarin deze bijdrage plaatsvindt, hangt af van de biomassa/aantallen en van de aanwezigheid van verschillende functionele groepen, i.e. de biodiversiteit van deze organismen. Het onderzoek richt zich op de relatie tussen bodembeheer, vegetatie (of gewas) en de ondergrondse biodiversiteit van bodemorganismen en de betekenis daarvan voor ecosysteemdiensten van de bodem, met name levering en retentie van nutriënten.
Recent werden aanwijzingen gevonden dat gereduceerde bemesting en grondbewerking in landbouwgronden leiden tot een hogere schimmel/bacterie verhouding, grotere biomassa van schimmels en bacteriën, en minder stikstofverlies. Dit leidt tot de hypothese dat in duurzaam beheerde bodems meer langzaam groeiende micro-organismen met een hoge efficiëntie (oligotrofen) en minder opportunisten (copiotrofen) voorkomen, waardoor de verliezen van koolstof en nutriënten lager zijn. Nieuwe moleculaire methoden (ecogenomics) maken het mogelijk om specifieke groepen te kwantificeren, en hypotheses over relaties met bodembeheer en duurzaamheid te testen. De kennis die dat oplevert is van belang voor zowel duurzame landbouw als voor natuurontwikkeling.
Er wordt samen met RIVM, Louis Bolk Instituut en NIOO gewerkt aan de ontwikkeling van biologische referentiewaarden en kennis over effecten van landbouwkundige- en/of beheersmaatregelen op het bodemleven. Dit gebeurt door toepassing van bodembiologische indicatoren in praktijkproeven op boerenbedrijven en in natuurherstelprojecten.
Publicaties bij dit project zijn beschikbaar via deze Link> |