| Met preïmplantatie genetische diagnostiek (PGD) kan de zwangerschap van een kind met een erfelijke aandoening, worden voorkomen. De techniek kan echter ook worden toegepast om op bepaalde wenselijk geachte eigenschappen te selecteren. Niet alleen medisch-maatschappelijk positief beoordeelde eigenschappen maar ook eigenschappen die los staan van een positieve of negatieve medische beoordeling zoals sekse selectie, selectie op huidskleur, of zelfs medisch negatief beoordeelde eigenschappen als doofheid of dwerggroei zullen door afzonderlijke wensouders soms als positief worden gezien. Het onderzoek tracht de morele problemen die hieraan onderliggen in kaart te brengen. Hierbij vormt de relatie tussen het probleem van genetisch determinisme en het principe van (recht op) autonomie een belangrijke ondertoon. Hoofddoel van het onderzoek zal zijn duidelijkheid te krijgen op het gebied van de ethische kwesties rond prenatale genetische selectie. Het onderzoek is echter niet louter gericht op een empirische cartografie van die kwesties, maar ook op een kritische analyse van het huidige debat. Deze analyse betreft onder meer de rol en invulling van het huidige autonomiebeginsel en van het moderne ziektebegrip. |