KNAW

Onderzoek

Maïskennis beter benutten

Pagina-navigatie:


Wijzig gegevens


Titel Maïskennis beter benutten
Looptijd 01 / 2006 - 12 / 2007
Status Afgesloten
Onderzoeknummer OND1314538

Samenvatting

[Aanleiding/Probleemstelling]:
Na gras is snijmaïs het belangrijkste gewas voor de melkveehouderij. Een optimale teelt en benutting van dit gewas zijn daarmee van belang voor het rendement van de sector. In 2003 is een omvangrijk onderzoek gestart naar effecten van rastypen en oogsttijdstip op opbrengst, kwaliteit, conservering en dierprestatie. De resultaten van het project worden eind 2005 gepubliceerd in een vijftal rapporten. Bij de start van het project is door de PZ-commissie Melkveehouderij besloten om eerst de resultaten af te wachten alvorens invulling te geven aan verdere communicatie. Tijdens een presentatie van de resultaten in de LTO vakgroep rundveehouderij in oktober 2005 is aangegeven dat de beschikbare kennis niet automatisch objectief bij de melkveehouders komt, bijvoorbeeld omdat door verschillende partijen rondom de veehouder de informatie wordt gefilterd. Voor een betere benutting van de kennis door de melkveehouderij is het van belang dat het via een aantal effectieve communicatiekanalen beschikbaar komt voor de veehouder en waardoor hij zich de kennis eigen kan maken en gaat toepassen.
De nieuwe kennis uit het onderzoek spitsen zich toe op een aantal aspecten:
1. Er is geen verschil tussen rastypen voor wat betreft optimaal drogestofgehalte bij de oogst.
2. Het optimale ds-gehalte bij oogst ligt hoger dan het huidige advies. Daarbij is broei een punt van aandacht.
3. Zetmeel krijgt een belangrijkere rol bij de rastype keuze, omdat de melkproductie positief wordt beïnvloed door (bestendig) zetmeel
4. Verschillen tussen stay-green en dry-down typen blijken beperkt te zijn Dit aspect is daarom van minder belang bij de rastype keuze
[Belang voor de melkveehouderij]:
Snijmaïs wordt efficiënter ingezet in de bedrijfsvoering wanneer de melkveehouderij de nieuwe kennis omtrent rastypen en oogsttijdstip toepast. Daarmee draagt het bij aan een beter bedrijfsresultaat en aan een beter rendement van de sector. Middels dit project wordt verstoring van de boodschap grotendeels voorkomen.
[Doel]:
De melkveehouderij past de objectieve nieuwe kennis over rastypen en oogsttijdstip van snijmaïs toe.
[Resultaat en afbakening]:
Samengevat levert het project de volgende resultaten:
- Zes artikelen in vakpers
- Minimaal vijf nieuwsberichten
- Voorlichtingsfolders voor veehouders (35.000)
- Twee bijeenkomsten met veevoerleveranciers
- Eén bijeenkomst met zaaizaadfirma s
- Dertig regiobijeenkomsten met boeren
De resultaten zijn afgestemd op de inzichten bij het schrijven van het projectplan. Met name omdat er gewerkt wordt met externe partijen kunnen de omstandigheden veranderen. Daardoor kan het nodig zijn om in overleg met de opdrachtgever de planning bij te stellen.
Individuele rassenkeuze is geen onderdeel van dit project, het richt zich op uitspraken over rastypen.
[Methode]:
De communicatie is erop gericht om het gedrag van de boeren te beïnvloeden richting de nieuwe kennis ten aanzien van rastypen een oogsttijdstip van snijmaïs. Bij een goede communicatie spelen een viertal doelgroepen een rol:
1. Boeren.
Dit is de primaire doelgroep. Hier moet de kennisoverdracht op gericht zijn. Deze kan direct en indirect verlopen. Boeren bepalen in beperkte mate zelfstandig het gewenste rastype. Vaak gebeurt dat op advies of in overleg met een adviseur/loonwerker. Boeren bepalen in grote lijn wel zelf het oogstmoment.
2. Zaaizaadfirma s.
Deze doelgroep speelt een belangrijke rol bij het aspect rastype. Daarbij hebben ze wisselende belangen ten aanzien van de nieuw beschikbare kennis. Hun belang is afhankelijk van het eigen rassenpakket. Dit heeft tot gevolg dat ze de kennis vooraf zullen filteren voor ze het doorgeven richting boer.
3. Loonwerkers.
Ook deze doelgroep speelt een belangrijke rol bij de rassenkeuze. Vaak zijn ze gelieerd aan een bepaalde zaaizaadfirma waardoor ze de boodschap ook niet altijd neutraal zullen doorgeven.
4. Veevoerfirma s.
Deze partij speelt deels een rol bij de rastype keuze en het oogstmoment. Over het algemeen zullen de firma s vrij neutraal staan tegenover de nieuwe kennis, waarbij ze zich wel graag willen profileren.
Om de doelstelling te bereiken worden de volgende communicatiestrategieën per doelgroep toegepast:
1. Boeren:
De communicatiestrategie moet gericht zijn op beïnvloeding (overreden) door bewustwording van de nieuwe kennis en het opwekken van nieuwsgierigheid (vragen oproepen) waardoor ze gericht informatie gaan inwinnen bij adviseurs, loonwerkers en vertegenwoordigers.
2. Zaaizaadfirma s:
Communicatie zal vooral gericht zijn op informeren zodat ze op de hoogte zijn van de informatie en het communicatietraject. Communicatiestrategie is éénrichtingsverkeer gericht op informeren.
3. Loonwerkers:
Hiervoor geldt hetzelfde als voor de zaaizaadfirma s
4. Veevoerfirma s.
Omdat zij vrij neutraal tegenover de nieuwe kennis staan is dit een goede partij om mee samen te werken in de communicatie richting de boer. Strategie is de dialoog aangaan met deze bedrijven, zodat de voorlichters de melkveehouders kunnen adviseren. Daarnaast de communicatiekanalen van de veevoederfirma s (grote boeren bijeenkomsten en informatiebladen) gebruiken om de melkveehouders rechtstreeks te bereiken.

Betrokken organisaties

Betrokken personen

Projectleider Ing. H.A. van Schooten

Classificatie

A21000 Landbouw en tuinbouw
A22000 Veeteelt
A34700 Diervoedermiddelen
D22500 Plantkunde

Omhoog
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie