| De dichter Pierre Reverdy (1889-1960) wordt vaak in verband gebracht met het kubisme. Hij maakte deel uit van het kunstenaarsmilieu op Montmartre waar schilders als Picasso, Braque en Gris aan het begin van de 20e eeuw een nieuwe schilderkunst creëerden. De kubistische esthetiek oefende een grote aantrekkingskracht uit op de jonge dichter die zich erdoor liet inspireren in zijn poëtisch werk. Onderzoekers hebben dan ook steeds een speciale belangstelling aan de dag gelegd voor de relatie tussen Reverdy s gedichten en de kubistische schilderkunst en esthetiek. Mijn onderzoek richt zich op de kunst- en literatuuropvattingen van Reverdy zoals deze tot uiting komen in zijn kronieken en essays over kunst en poëzie. De dichter betoont zich daarin niet alleen een bewonderaar maar ook een verdediger van de kubistische schilderkunst, met name wanneer deze vlak na de Eerste Wereldoorlog onder vuur komt te liggen. Karakteristiek voor de teksten over kunst is het secundaire discours over poëzie: Reverdy maakt voortdurend verwijzingen naar de poëzie. Mijn hypothese luidt dat Reverdy een hiërarchie van de kunsten voorstaat waarin de poëzie op de eerste plaats komt. De vraag is vervolgens in hoeverre Reverdy s esthetische opvattingen zijn ingegeven door de positie die de schilderkunst en de poëzie op dat moment innemen binnen het culturele veld. In bredere zin zou dit onderzoek kunnen uitwijzen of er na de verbroedering tussen schilders en dichters van voor de Eerste Wereldoorlog sprake is van een opleving van de oude rivaliteit tussen de zusterkunsten, de paragone . |