KNAW

Onderzoek

Implementatie van een gevalideerd pijnmeetinstrument de "Checklijst...

Pagina-navigatie:


Wijzig Onderzoekgegevens


Titel Implementatie van een gevalideerd pijnmeetinstrument de "Checklijst Pijngedrag (CPB)" en (non)farmacologische pijnprotocollen bij kinderen met een ernstig verstandelijke handicap.
Looptijd 01 / 2005 - onbekend
Status Afgesloten
Onderzoeknummer OND1317975
Leverancier gegevens ZONMW

Samenvatting

Kinderen met een ernstig verstandelijke handicap hebben een hoger risico om pijn te ervaren dan kinderen zonder verstandelijke beperking. Immers bij deze groep kinderen komen in vergelijking met kinderen zonder verstandelijke handicap frequenter en vaker meerdere lichamelijke problemen voor waarvoor zij noodzakelijke en veelal pijnlijke medische ingrepen moeten ondergaan, zoals PEG plaatsingen of gebitsaneringen. Of deze kinderen veel pijn lijden is moeilijk te bepalen. In het algemeen zijn zij zeer beperkt in hun uitingsmogelijkheden om pijn te communiceren. De gedragingen die zij hiervoor gebruiken wijken veelal af van die van kinderen zonder verstandelijke handicap en zijn veelal non-verbaal. Pijn bij kinderen met een ernstig verstandelijke handicap wordt vaak onderschat Het niet of inadequaat behandelen van deze pijn heeft niet alleen gevolgen voor de pijngevoeligheid op korte en lange termijn door het ontwikkelen van allodynie, hyperalgesie of hyperpathie, maar leidt ook tot probleemgedrag en tot een verminderde kwaliteit van leven. Als oorzaken voor de onderschatting van pijn bij kinderen met een ernstig verstandelijke handicap kan worden aangedragen dat een valide pijnmeetinstrument ontbrak en dat verpleegkundigen en artsen vaak onvoldoende kennis hebben over pijn en pijnbestrijding. ? Kinderen met een ernstig verstandelijke handicap hebben een hoger risico om pijn te ervaren dan kinderen zonder verstandelijke beperking. Immers bij deze groep kinderen komen in vergelijking met kinderen zonder verstandelijke handicap frequenter en vaker meerdere lichamelijke problemen voor waarvoor zij noodzakelijke en veelal pijnlijke medische ingrepen moeten ondergaan, zoals PEG plaatsingen of gebitsaneringen. Of deze kinderen veel pijn lijden is moeilijk te bepalen. In het algemeen zijn zij zeer beperkt in hun uitingsmogelijkheden om pijn te communiceren. De gedragingen die zij hiervoor gebruiken wijken veelal af van die van kinderen zonder verstandelijke handicap en zijn veelal non-verbaal (Gilbert-MacLeod et al. 2000; Breau et al. 2001). Uit een aantal studies blijkt dat pijn bij kinderen met een ernstig verstandelijke handicap door (para)medici vaak wordt onderschat (Fanurik et al. 1999, Malviya et al. 2001). Zesentwintig procent van de ouders met kinderen met een ernstig verstandelijke handicap is bijvoorbeeld overtuigd dat de pijn bij hun kinderen wordt onderschat en/ of niet op een adequate wijze wordt behandeld (Funarik 1999). Een groot deel van hen (48%) is zelfs de mening toegedaan dat verpleegkundigen hiervoor onvoldoende zijn toegerust. Malviya (2001) toonde aan dat kinderen met een ernstig verstandelijke handicap minder hoge doseringen aan opiaten kregen toegediend en voor een kortere periode dan kinderen zonder verstandelijke handicap. Het niet of inadequaat behandelen van deze pijn heeft niet alleen gevolgen voor de pijngevoeligheid op korte en lange termijn door het ontwikkelen van allodynie, hyperalgesie of hyperpathie (Woolf 1993), maar leidt ook tot langdurig probleemgedrag (Kotiniemi et al. 1998) en tot een verminderde kwaliteit van leven. ?Dit project heeft tot doel om binnen twee jaar de CPG met daaraan een systematisch pijnbeleid voor kinderen met een ernstig verstandelijke handicap binnen 3 instellingen in Nederland voor verstandelijk gehandicapten te implementeren en te institutionaliseren. Potentiële factoren die dit kunnen bedreigen/ bevorderen (de Rond 2001, Berry et al. 2003) zijn: Op de MBO-V en HBO-V komen studenten in aanraking met methodisch werken, d.w.z. het vaststellen van diagnose en etiologie, selectie en uitvoeren van interventies en evaluatie hiervan. In de praktijk komt hier weinig van terecht aangezien organisatorische randvoorwaarden, kennis en vaardigheden hiervoor ontbreken. Het PRIP project biedt verpleegkundigen en verzorgenden de mogelijkheid om op het moment dat zij een diagnose hebben gesteld zij interventies kunnen plannen, uitvoeren en evalueren. Het doel van dit PRIP project is implementatie en institutionalisatie van de PRIP in 3 instellingen in Nederland. Binnen elke instelling wordt één pilot afdeling geselecteerd waar de PRIP wordt geïmplementeerd. Van deze afdeling wordt verwacht dat zij een voortrekkersrol gaan verrichten met betrekking tot pijn en pijnbeoordeling binnen de eigen instelling. METHODE De primaire doelstelling van dit project is implementatie en institutionalisatie van de PRIP binnen 3 instituten in Nederland. Binnen elke instelling wordt een pilot afdeling geselecteerd op welke de PRIP wordt geïmplementeerd Op deze afdelingen dienen met name kinderen met een ernstig verstandelijke handicap (gedefinieerd als een cognitieve ontwikkeling stadium passende bij een kalender leeftijd van 2 jaar of jonger; Terstegen 2004) te wonen. Dit project moet uiteindelijk de kennis van verpleegkundigen en artsen die werken met kinderen met een ernstig verstandelijke handicap over pijn en de behandeling hiervan vergroten en hun attitude t.o.v. het bepalen van pijn a.h.v. de CPG positief beïnvloeden. Daarnaast moet dit leiden tot een (meer) regelmatige bepaling van pijn waardoor pijn sneller wordt onderkend, tot een effectievere behandeling hiervan en uiteindelijk tot een verbeterde kwaliteit van leven van kinderen met een ernstig verstandelijke handicap.

Betrokken organisaties

Penvoerder Afdeling Kinderheelkunde (EUR)
Financier ZonMw

Betrokken personen

Projectleider Dr. J.W.B. Peters
Projectleider Prof.dr. D. Tibboel

Classificatie

A77000 Gehandicaptenzorg
D23362 Kindergeneeskunde
D24100 Verpleegkunde

Omhoog
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie