[Probleem]: Het opfokken van kalveren bij de koe heeft een betere beginontwikkeling tot gevolg: kalveren groeien beter en zijn gezonder dan soortgenoten die niet zogen. Ook in verband met een natuurlijker opfok en veronderstelde welzijnsverbeteringen voor zowel kalf als koe gaan meer bedrijven over tot deze opfokmethode. Dit gebeurt soms in de koppel bij de eigen moeder, soms afgezonderd met een groepje bij een pleegmoeder. Inmiddels zijn op een aantal bedrijven vaarzen aan de melk die in een zoogsysteem zijn opgefokt. Hierdoor is het mogelijk na te gaan of deze vaarzen ook na afkalven een betere weerstand en gezondheid hebben dan soortgenoten die niet gezoogd hebben. Dit is een belangrijke voorwaarde om het systeem verder te ontwikkelen. [Doel project]: Vaststellen of het opfokken van kalveren bij de koe een positief effect (of in het algemeen geen negatief effect) heeft op de weerstand en gezondheid van afgekalfde vaarzen. In 2007 wordt hier tenminste een indicatie over afgegeven. [Activiteiten en betrokkenheid sector]: Op 10 tot 12 praktijkbedrijven die al een aantal jaren de kalveren bij de koe opfokken worden de technische resultaten van de vaarzen in kaart gebracht. De veehouders brengen aanvullend extra informatie in aangaande de historie en registratie van bijzonderheden gedurende de periode dat vaarzen als kalf bij de koe werden opgefokt. Aan de hand van individuele beoordelingen van de vaarzen en het analyseren van productiegegevens (incl. celgetallen) op bedrijven die kalveren bij de koe praktiseren, wordt nagegaan of de effecten ook op langere termijn zichtbaar zijn. Deze informatie kan eventueel aangevuld worden met relevante en kostefficiƫnte bloedparameters (afhankelijk van cofinanciering). Er wordt een vergelijking gemaakt binnen bedrijven, waarbij gegevens van vaarzen die bij de koe werden opgefokt worden vergeleken met die van vaarzen die niet bij de koe zijn opgefokt. Veelal zal dit gaan om vaarzen in andere jaren, meerjarige gegevens van melkproductie en NRS zijn te verkrijgen. Voorts worden de resultaten van deze kalveren bij de koe -bedrijven vergeleken met de resultaten van biologische melkveehouders die de kalveren niet bij de koe opfokken (Z-06 Weerstand melkvee). Middels multivariate of canonical analyse zijn wellicht ook statistisch onderbouwde conclusies te trekken, maar omdat de variantie van de te bepalen parameters nog onvoldoende bekend is, is nog niet in te schatten hoeveel dieren in het onderzoek moeten worden opgenomen. [Werkwijze]: Bedrijfsbezoeken: jan dec 2007: 40 k Verzamelen en verwerken van bedrijfs-, productiegegevens en gezondheidsstatus: jan okt 2007 Uitwerken van evaluatieconcept: jan maart 2007 Goede aanzet is evaluatie opgezet door een MSc-studente in afstudeervak voor LBI Aanvullende observaties aan individuele dieren, o.a. conditiescore, schofthoogte, overige weerstandskenmerken: sept nov 2007 Analyse en rapportage: nov dec 2007 Aan de hand van de resultaten wordt indien nodig en gewenst een vervolgfase uitgewerkt, om beter onderbouwde conclusies te kunnen trekken over de effecten van zogen bij de koe op natuurlijke weerstand. [Resultaten en producten]: Inzicht in natuurlijke weerstand en gezondheid van vaarzen die al dan niet bij de koe hebben gezoogd. Producten 2007: Presentatie voor boeren en onderzoekers Artikel in vakblad en in internationaal tijdschrift |