| Nationalisme en identiteit zijn lange tijd vooral politicologisch en sociologisch bena-derd. Maar ook cultureel nationalisme en de rol van cultuur in de vorming van (natio-nale) identiteit staan in toenemende mate in de belangstelling. Met name vanaf het einde van de achttiende en in de loop van de negentiende eeuw begonnen geleerden in heel Europa activiteiten te ontplooien die zouden kunnen worden aangeduid als de cultivering van cultuur . Het verzamelen van volksliederen en gebruiken, het verrich-ten van linguistische en historische studies, het publiceren van bronnenedities, het or-ganiseren van herdenkingen, folkloristische festivals en het oprichting van monumen-ten, archeologische genootschappen etc.; het is slechts een greep uit de intellectuele activiteiten die in toenemende mate op de eigen cultuur werden gericht en daarmee bijdroegen aan het definiƫren van de nationale identiteit. De constructie van het verle-den speelde hierin een cruciale rol. Niet voor niets wordt de negentiende eeuw ook wel de eeuw van de geschiedenis genoemd eveneens aangewezen als de periode waarin de moderne naties voor het eerst werden verbeeld . Binnen het onderzoek naar deze relatie tussen nationaal denken en de verbeel-ding van het verleden, vormt de Griekse geschiedschrijving van de negentiende eeuw een interessante casus. Het Koninkrijk Griekenland werd in 1830 als een van de eerste staten in Zuidoost-Europa gesticht op grond van het moderne concept van de natie. En hoewel het kon bogen op een roemrijk verleden dat in West-Europa alom werd ver-eerd, bestond er een groot contrast tussen het klassieke ideaal en de Nieuw-Griekse praktijk. De jonge, nog zeer instabiele natiestaat met zijn sterke behoefte aan legiti-matie vormde de context waarbinnen de Griekse nationale canon ontstond die in ze-kere zin ook nu nog de politieke houding van Griekenland bepaalt in kwesties als Ma-cedoniƫ, Cyprus en de Elgin-marbles . Dit onderzoek beoogt een analyse van de ont-wikkeling van de geschiedopvatting onder Griekse geleerden na 1830 zoals die in tex-tuele representaties van het verleden (geschiedkundige verhandelingen en historiogra-fische essays maar ook pamfletten, toespraken en historische romans) tot uiting werd gebracht, en van de politieke en ideologische context waarbinnen de constructie van het Griekse nationale verleden is ontstaan. Centraal staat de vraag op welke manier Griekse geleerden na 1830 rekenschap gaven van het verleden en in hoeverre zij daarmee bijdroegen aan de vorming van een nationalistisch discours ter legitimering van de Griekse natiestaat. De ontwikkeling van de Griekse historiografie zal zowel binnen de politieke context van het jonge onafhankelijke Griekenland als binnen de Europese ontwikkelingen in het denken over geschiedenis in deze periode worden ge-plaatst. |