| De begripsgeschiedenis onderzoekt de ontwikkeling - zowel contextueel als in de diepte - van een select aantal grond begrippen, en dat op een wijze die zich enerzijds onderscheidt van de lexicografie en anderzijds van de meer traditionele ideeëngeschiedenis. Op basis van het Duitse project Geschichtliche Grundbegriffe van Reinhart Koselleck e.a. en het daarvan afgeleide, zij het in de praktijk zowel qua periode als methode wat strakker omschreven, op Frankrijk gerichte Handbuch politisch-sozialer Grundbegriffe van Rolf Reichhardt is onder auspiciën van het Huizinga-Instituut in de afgelopen jaren ook een bloeiende praktijk tot stand gekomen over specifiek Nederlandse grondbegrippen, vooral uit de politieke cultuur, als daar zijn burger , vrijheid enz. (Dit aandachtsgebied heeft dan ook een groot raakvlak met het gebied politieke cultuur ). In vergelijking met de traditionele vormen van de intellectuele geschiedenis krijgt binnen de begripsgeschiedenis naast de diachrone ook de synchrone analyse ruimschoots aandacht. Daarbij wordt uitgegaan van een veel bredere bronnenbasis, die de begripshistoricus in staat moet stellen naast uitspraken over het ontstaan van bepaalde conceptuele veranderingen op het hoogste intellectuele niveau ook uitspraken te doen over de representativiteit en sociale specificiteit van die veranderingen. Sommige deelonderzoeken zullen sterker ideeënhistorisch, ander daarentegen meer praktijk-gecontextualiseerd zijn. |