| Bij kritische interventiestudies staat de verhouding tussen overheden en burgers in de moderne verzorgingsstaat en de kwaliteit van sociale arrangementen en sociale interventies centraal. Belangrijke thema s in dit verband zijn de sociale rechten van burgers binnen de verzorgingstaat, de verantwoordelijkheden van burgers ten opzichte van de overheid en ten opzichte van elkaar. Mede in het kader van de voortgaande afslanking van de verzorgingsstaat wordt in Nederland meer en meer gesproken over maatschappelijke ondersteuning (social support) en persoonlijke verantwoordelijkheid. De vraag is welk mens- en maatschappijbeeld hieraan ten grondslag ligt. Er wordt zowel verwezen naar autonomie en zelfredzaamheid als naar onderlinge verbondenheid, zonder dat de spanningen tussen beide op beleidsniveau worden gethematiseerd. Ook de rol van de professionele interventiepraktijken die concreet vormgeven aan de verzorgingsstaat is ambivalent. De nadruk op onderlinge steunverlening en persoonlijke verantwoordelijkheid gaat gepaard met het terugdringen van de rol van professionals. Dat kan echter binnen de huidige maatschappelijke context negatieve gevolgen hebben voor kwetsbare burgers. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het dunner worden van zorgmantels door de verminderde omvang van huishoudens, de toename van het aantal éénpersoonshuishoudens, de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen en de vergrijzing. Andere voorbeelden zijn schooluitval, werkloosheid en maatschappelijke uitsluiting onder specifieke groepen jongeren. In dit verband wordt gesproken van een zorgvacuüm , waarbij de behoefte aan informele zorg groter is dan het aanbod ervan, waardoor een zwaarder beroep op professionele ondersteuning en begeleiding noodzakelijk is. Versterking van sociale interventiemogelijkheden op professionele basis is echter geen ondubbelzinnig goed. Niet alleen om budgettaire redenen, maar ook omdat professionele interventies makkelijk het karakter krijgen van disciplineringsstrategieën. Zij kunnen de ontwikkeling van afhankelijkheidsculturen bevorderen en daardoor de zelfredzaamheid van burgers ondermijnen (Illich 1977). Daar komt nog bij dat professionals in toenemende mate onder druk van markt en management zijn komen te staan, zodat sociale interventies steeds meer benaderd worden als productieprocessen (Freidson 2001). Bij het onderzoek naar deze problemen speelt het begrip normatieve professionalisering en de daarmee verwante presentie-theorie van Andries Baart (2001) een belangrijke oriënterende rol. Tegen deze achtergrond is duidelijk dat de gerichtheid op humanisering van de samenleving zeer complexe vragen van verschillende orde met zich meebrengt. Traditionele vormen van vooruitgangsgeloof en van maatschappelijke maakbaarheid verschaffen onvoldoende basis om deze vragen te beantwoorden, omdat bij veel burgers het vertrouwen in de maakbaarheid van de samenleving door ingrijpen van de overheid ernstig is ondermijnd. Maar ook de overheid zelf doet, in elk geval op retorisch niveau, afstand van maakbaarheidspretenties. In het grote project modernisering overheid wordt in de notitie andere overheid ervoor gepleit dat de nationale overheid zich beperkt tot hoofdlijnen, waarbij ze een krachtig beroep doet op burgers om hun verantwoordelijkheid te nemen en onderlinge solidariteit te tonen. De vraag is wat hier in rede verwacht en gehoopt kan worden van actieve burgers en van sociale bewegingen. Voor het onderzoek naar deze problematiek wordt mede gebruikt gemaakt van de noties empowerment en van het begrip sub-politics van Ulrich Beck (1992), die hij plaatst buiten de traditionele politieke instituties. Verwante gedachten zijn onder een andere naam te vinden bij Archon Fung en Erik Olin Wright, die spreken over Deepening Democracy en Empowered Participatory Governance (2003). Ze bepleiten dat burgers die met problemen geconfronteerd worden zelf worden uitgenodigd oplossingsstrategieën te bedenken, waarbij de nationale overheid zich terugtrekt. Er kan dan gesproken worden over aktiverend burgerschap. Vanaf T.H. Marshall (1950) wordt burgerschap verbonden met burgerlijke, politieke en sociale rechten. Aan het eind van de twintigste eeuw zijn daar culturele rechten, zoals het recht op een eigen identiteit, aan toegevoegd, mede onder invloed van feministische inzichten (diversiteit) en het debat over de multiculturele samenleving. Binnen de feministische ethiek van de zorg is ook de notie van zorgend burgerschap opgekomen (Tronto 1993). Voor het denken over social support en community care is dat een belangrijke notie. Bij burgerschap wordt dan ook niet primair aan staatsburgerschap gerefereerd, maar aan bredere noties van burgerschap, waarvoor niet alleen participatie maar ook onderlinge solidariteit van groot belang is (Dwyer 2004). In dit kader zal mede aandacht worden besteed aan het denken over Europees en mondiaal burgerschap en daaraan verbonden waarden-oriëntaties. Hierbij zullen ook tradities uit het verleden, zoals het Renaissance humanisme (Toulmin 1990) in ogenschouw worden genomen. Ook discussies over mensenrechten, globalisering en de strijd om andere globaliseringen in het teken van kritisch-democratisch burgerschap worden bij dit onderzoek betrokken. |