| In de loop van de klassieke periode ging men in Athene burgerschap steeds meer zien als een juridische status. Het promotieonderzoek van Lina van t Wout wijst uit dat deze ontwikkeling later lijkt te beginnen en langzamer verloopt dan meestal wordt aangenomen. Ze laat zien hoe het begrip burgerschap gedurende de klassieke periode vooral gerelateerd blijft aan sociale identiteit, ook wanneer het geleidelijk een juridische betekenis krijgt. Ze leidt dit af uit het gebruik van atimia-terminologie in klassieke teksten. Atimia, bij benadering te vertalen als eerloosheid , is een term die wordt gebruikt in de context van uitsluiting van burgers uit de gemeenschap. Atimia werd in de jaren zeventig van de twintigste eeuw beschreven als een straf waardoor iemand zijn burgerrechten verloor. In haar proefschrift betoogt van t Wout dat atimia helemaal geen technische juridische term was. Zij vergelijkt het gebruik van atimia-terminologie in juridische contexten, zoals wetsinscripties en gerechtsredevoeringen, met het gebruik van dezelfde termen in niet-juridische contexten, en concludeert dat steeds het perspectief van het slachtoffer , de atimos zelf, een centrale rol speelt. Burger hoort van nature bij gemeenschap De Atheense demos had de autoriteit om individuele burgers uit de gemeenschap te sluiten. Het gebruik vanatimia-terminologie geeft blijk van hun besef dat de burger in kwestie van nature bij de gemeenschap hoort. Bij diens uitsluiting is het gemeenschapsbelang daarom hooguit overwegend, maar per definitie niet onverdeeld gebaat voor de burger zelf is het immers altijd nadelig. In democratisch Athene was het inclusieve karakter van depolis-gemeenschap, waar alle Atheners deel aan hadden, een hooggewaardeerde verworvenheid. Opzettelijke uitsluiting was dus inherent problematisch: in tegenstelling tot bijvoorbeeld een tiran, kon de demos geen burgers uit haar eigen midden verwijderen zonder een ideologische crisis teweeg te brengen. De manier waarop uitsluiting geproblematiseerd werd laat volgens Van t Wout zien dat de notie van behoren tot een sociale gemeenschap in de gehele klassieke periode de kern van het democratische burgerschapsbegrip bleef. VN-gedachte in de 6e eeuw voor Christus Het onderzoek van Lina van t Wout heeft ook geresulteerd in een nieuwe interpretatie van de beruchte wet waarin de wetgever Solon (6e eeuw v. Chr.) voorschrijft dat Atheense burgers in het geval van burgeroorlog worden bestraft met uitsluiting uit de gemeenschap wanneer ze zich niet aansluiten bij één van de ruziënde partijen. Aan de hand van een zorgvuldige lezing van de oudste en meest autoritatieve bron, de Aristotelische staatsinrichting van de Atheners , laat Van t Wout zien dat de wet precies het omgekeerde voorschrijft: burgers worden verplicht zich actief op te stellen, vanuit een positie van neutraliteit. Van t Wout herleidt het tweeduizend jaar oude misverstand tot een grapje van Cicero in een van diens brieven aan Atticus . De wet wordt hiermee de oudst bekende poging om de VN-gedachte de noodzaak tot interventie door een neutrale derde ter voorkoming of beëindiging van een gewapend conflict te institutionaliseren. |