| Er is in de pluimveefokkerij en ¿houderij behoefte aan een methode om de gevoeligheid voor verenpikken vast te stellen zonder deze gevoeligheid tot expressie te laten komen. Onderzoeken of neurofysiologische parameters van de hypothalamus- hypofyse-bijnier-as en van het serotonerge en dopaminerge systeem een voorspellende waarde hebben voor zowel de gevoeligheid voor verenpikken en kannibalisme, als voor het vermogen om zich met succes aan te passen aan wisselende omstandigheden zoals die in houderijsystemen van leghennen normaal voorkomen. Het onderzoek in 2007 wordt uitgevoerd binnen het experiment `Tweede generatie selectie-experiment¿ van Esther Ellen. In dit experiment wordt gekeken naar het effect van selectie tegen uitval (controlelijn versus lijn met lage uitval, tweede generatie) van gesnavelkapte en ongesnavelkapte hennen. Door gesnavelkapte en ongesnavelkapte hennen te vergelijken, kan er onderscheid gemaakt worden in uitval door verenpikken en kannibalisme (ongekapte hennen) versus uitval door andere oorzaken (gekapte hennen). Het onderzoek bestaat uit manual restraint tests en bepalingen van neurofysiologische parameters (plasma corticosteron, basaal en stress-gerelateerd, serotoninemetabolisme in thrombocyten (5HT, 5HT-uptake en MAO); serotonine- en dopamineturnover in het brein. Resultaten: Inzicht in de relatie tussen verenpikken en onderliggende neurofysiologische kenmerken. De resultaten zijn eind 2007 beschikbaar. Producten: Een artikel in de vakpers en een congresbijdrage. Beschikbaar: eind 2007/begin 2008. |