| Voor de tweede wereldoorlog was Nederland een imperiale mogendheid met overzeese rijksdelen in de Oost en de West . De overzeese inwoners van het Koninkrijk der Nederlanden ( rijksgenoten ) waren in het bezit van de Nederlandse nationaliteit, als Nederlands staatsburger of Nederlands onderdaan. Als gevolg van dekolonisatie en andere ontwikkelingen na 1945 nam de migratie vanuit de (voormalige) rijksdelen naar Nederland toe. Vandaag telt Nederland ongeveer één miljoen Nederlanders die (deels) een connectie hebben met de één van de (voormalige) overzeese rijksdelen. De reflecties van de Tweede Kamer en de Nederlandse regering op de komst naar en aanwezigheid van deze postkoloniale burgers in Nederland staan in deze studie centraal. Hoe hebben Nederlandse politici in de naoorlogse periode (1945-2005) gedacht en gesproken over het nationale toebehoren van Indische, Surinaamse, Molukse en Antilliaanse Nederlanders en hoe vonden die opinies hun weg naar wetgeving en beleid? Betekende het formele Nederlanderschap van deze burgers dat politici hen in de periode na 1945 ook als lid van het Nederlandse volk beschouwden? Deze vragen zijn geanalyseerd aan de hand van politieke debatten over nationaliteit, toelating en integratie/inburgering. Het historische perspectief illustreert hoe het idee over de Nederlandse natie, over de echte en de onechte Nederlander, in de loop der jaren van betekenis is veranderd. Daarmee sluit deze studie aan bij actuele debatten over Nederlands burgerschap. Hoe verhoudt het idee over de Nederlandse natie zich tot de recente politieke debatten over wij en zij ? Herhaalt de geschiedenis zich? |