| Wanneer we de literatuur over rechtsvinding door de rechter vergelijken met de literatuur over de rechtstheoretische verankering van de kwaliteit van wetgeving, dan is de literatuur over wat we voorlopig maar wetsvinding noemen behoorlijk schaars. Dat is niet alleen vanuit een academisch perspectief jammer (en tegelijk uitdagend), maar ook praktisch relevant. In het beleid van het ministerie van justitie van 2004 wordt bijvoorbeeld een sterke nadruk gelegd op de bruikbare rechtsorde en daarmee ook bruikbare wetgeving . In de nota Rechtsstaat en Rechtsorde leidt dit er o.a. toe dat gepleit wordt voor een serieuze vermindering van het huidige regelbestand en een veel grotere nadruk op alternatieven voor wetgeving. Maar hoe zit het dan met de waarborgfunctie van de alternatieven voor klassieke beleidsinstrumentele wetgeving, zoals die in de nota Rechtsstaat en Rechtsorde worden geformuleerd? Is het mogelijk om bij het gebruik van certificeringssystemen, kwaliteitshandvesten, convenanten, etc., in wetgeving ook te komen tot een werkbare mix van waarborgen die recht doet aan de hybriditeit van deze alternatieve reguleringsmechanismen? In dit thema wordt op basis van de klassieken gezocht naar een moderne wetgevingstheorie waarin niet statelijk recht een veel natuurlijkere plek heeft dan in de huidige wetgevingstheorie. Zo n moderne wetgevingstheorie zal onder andere aandacht moeten besteden aan de ontwikkeling van opvattingen over de trias politica. |