KNAW

Onderzoek

De praktijk van palliatieve sedatie na introductie van de KNMG richtlijn:...

Pagina-navigatie:


Wijzig gegevens


Titel De praktijk van palliatieve sedatie na introductie van de KNMG richtlijn: een onderzoek in twee regio?s
Looptijd 09 / 2007 - onbekend
Status Afgesloten
Onderzoeknummer OND1326521
Leverancier gegevens Website ZonMw

Samenvatting

Doelstelling van het project is ten eerste de besluitvorming over palliatieve sedatie in de regio s Amsterdam en Rotterdam Rijnmond te onderzoeken, en te evalueren in hoeverre deze praktijk overeenstemt met de KNMG richtlijn palliatieve sedatie. Ten tweede wordt onderzocht hoe het traject van palliatieve sedatie verloopt vanaf het moment dat de patiënt gesedeerd wordt, en welke verbeterpunten hierbij mogelijk aan zijn te wijzen. Ten derde zullen de mogelijkheden voor het toepassen van meetinstrumenten voor het monitoren van de diepte van de sedatie in verschillende settings voor palliatieve sedatie worden geëvalueerd. Deze doelstellingen worden onderzocht aan de hand van de volgende vraagstellingen:1.Hoe kenmerkt de praktijk van palIiatieve sedatie zich in het ziekenhuis, het verpleeghuis, de huisartspraktijk en het hospice, en in hoeverre is deze in overeenstemming met de KNMG richtlijn palliatieve sedatie?2.Welke knelpunten ondervinden artsen en verpleegkundigen bij de besluitvorming over palliatieve sedatie? Zijn er aanknopingspunten voor verbetering aan te wijzen? 3.Welke knelpunten ondervinden artsen en verpleegkundigen bij de uitvoering van palliatieve sedatie? Zijn er aanknopingspunten voor verbetering aan te wijzen?4.Wat is de waarde van meetinstrumenten ter bepaling van de sedatiediepte voor toepassing in de praktijk van palliatieve sedatie? Welk instrument is voor de palliatieve praktijk het meest valide en betrouwbaar? Bij alle vraagstellingen zijn de subvragen:- Wat zijn de verschillen tussen de onderzochte settings?- Wat zijn de verschillen tussen artsen en verpleegkundigen? Terminale patiënten hebben vaak ernstige symptomen die soms moeilijk te behandelen zijn. Als reguliere behandeling niet toereikend is, wordt soms besloten om de patiënt in een diepe slaap te brengen, zodat deze zich niet meer bewust is van de symptomen. Deze praktijk wordt ook wel palliatieve sedatie genoemd. Onderzoek heeft aangetoond dat palliatieve sedatie in 4-10% van alle Nederlandse sterfgevallen wordt toegepast. Palliatieve sedatie wordt in alle settings waar mensen komen te overlijden uitgevoerd: in het ziekenhuis, thuis door de huisarts, in het verpleeghuis en in het hospice. Hierbij zijn zowel artsen als verpleegkundigen betrokken. Over de praktijk van palliatieve sedatie is veel discussie, o.a. over de in acht te nemen voorwaarden, de uitvoering, en de relatie tussen palliatieve sedatie en euthanasie. Mede als gevolg van deze discussies is er in december 2005 door een KNMG commissie een landelijke richtlijn voor het gebruik van palliatieve sedatie ontwikkeld. De richtlijn gaat voornamelijk in op het besluitvormingsproces m.b.t. palliatieve sedatie. De richtlijn bevat geen duidelijke voorschriften voor het klinisch monitoren van de sedatie, bijvoorbeeld om te voorkomen dat patiënten onbedoeld weer wakker worden. De klinische praktijk wijst uit dat instrumenten ter beoordeling van de sedatiediepte bij palliatieve sedatie nagenoeg niet worden gebruikt. Over de wijze waarop de richtlijn in de praktijk wordt toegepast zijn nog geen gegevens beschikbaar. De vraagstellingen van dit project zijn daarom:1.Hoe kenmerkt de praktijk van palIiatieve sedatie zich in het ziekenhuis, het verpleeghuis, de huisartspraktijk en het hospice, en in hoeverre is deze in overeenstemming met de KNMG richtlijn palliatieve sedatie? 2.Welke knelpunten ondervinden artsen en verpleegkundigen in de besluitvorming over palliatieve sedatie? Zijn er aanknopingspunten voor verbetering aan te wijzen? 3.Welke knelpunten ondervinden artsen en verpleegkundigen in de uitvoering van palliatieve sedatie? Zijn er aanknopingspunten voor verbetering aan te wijzen?4.Wat is de waarde van meetinstrumenten ter bepaling van de sedatiediepte voor toepassing in de praktijk van palliatieve sedatie? Welk instrument is voor de palliatieve praktijk het meest valide en betrouwbaar? Het onderhavige project zal worden uitgevoerd in 2 ziekenhuizen, 4 verpleeghuizen, verschillende huisartspraktijken, en 4 hospices (2 high care hospices en 2 low care hospices) in de regio Rotterdam Rijnmond en Amsterdam. Middels vragenlijsten aan artsen en verpleegkundigen wordt nagegaan in hoeverre de praktijk van palliatieve sedatie in deze regio s in overeenstemming is met de KNMG richtlijn palliatieve sedatie, en wat eventuele knelpunten daarbij zijn. In totaal zullen bijna 700 artsen en zo n 500 verpleegkundigen uit diverse settings worden benaderd voor deelname, evenredig verdeeld over beide regio s. Naast het gebruik van vragenlijsten zal m.b.v. gestructureerde kwalitatieve diepte-interviews de toepassing van de richtlijn nader worden onderzocht. De interviews worden gehouden met ziekenhuisartsen, ziekenhuisverpleegkundigen, huisartsen, thuiszorgverpleegkundigen, verpleeghuisartsen, en verpleegkundigen in het verpleeghuis. Per groep zullen 20 interviews gehouden worden, wat neer komt op een totaal van 120 interviews, met een evenredige verdeling over beide regio s. Tot slot worden in het laatste gedeelte van dit onderzoek de interbeoordelaars betrouwbaarheid, de concurrent, construct en predictieve validiteit van 3 meetinstrumenten ter beoordeling van de sedatiediepte onderzocht voor gebruik bij palliatieve sedatie bij 45 patiënten in het Kuria hospice in Amsterdam en in het Erasmus MC Daniel in Rotterdam.

Betrokken organisaties

Betrokken personen

Classificatie

A76000 Patiëntenzorg
D20100 Geschiedenis en filosofie van de levenswetenschappen, ethiek, evolutiebiologie
D23340 Biofarmaceutische wetenschappen, toxicologie
D24100 Verpleegkunde

Omhoog
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie