| In de 19e eeuw kwam het verenigingsleven in Nederland tot grote bloei. Naar schatting werden verspreid over het land honderdduizenden verenigingen opgericht, variërend van informele leesclubjes tot strak gereguleerde landelijk opererende verenigingen met honderden leden. Het terrein waarop zij zich begaven, loopt uiteen van dierenbescherming tot verspreiding van het protestants-orthodoxe geloof. Verenigingen zijn interessante onderzoeksobjecten voor tal van takken van geschiedschrijving. Het gezelschapsleven van gelijkgestemden is een belangrijk thema geworden in de culturele en sociale geschiedenis, waarbij genootschappen en verenigingen de aandacht hebben getrokken als geïnstitutionaliseerde vormen van sociabiliteit. Sinds vrij kort worden verenigingen ook intensief bestudeerd vanuit het oogpunt van politieke cultuur. Door de niet-hiërarchische verhoudingen tussen de leden onderling, de gewoonte dat besluiten bij meerderheid van stemmen genomen werden en andere kenmerkende regels hebben zij mogelijk gefunctioneerd als een soort leerscholen voor democratisch gedrag. Onderzoek naar verenigingen sluit op dit punt aan bij de internationale belangstelling voor de 'civil society', het deel van de samenleving dat tot de openbare sfeer behoort, maar onafhankelijk is van staat en markt. Verenigingen zijn tevens graadmeters voor het typisch Nederlandse verschijnsel van verzuiling, en ze zijn een belangrijk thema in het stadshistorisch onderzoek. Om het onderzoek naar verenigingen te faciliteren en stimuleren worden vijf repertoria van verenigingen samengesteld. Vier daarvan zijn thematisch bepaald. De eerste verzameling betreft verenigingen die, al of niet officieel, een kader boden voor politieke gedachtenwisseling en politieke actie, namelijk genootschappen van patriotten en prinsgezinden, herensociëteiten en kiesverenigingen. De tweede verzameling bevat verenigingen voor armenzorg, dus de doelstelling is hier overwegend economisch. Als derde worden rooms-katholieke broederschappen met een religieus doel verzameld, en ten slotte is gekozen voor verenigingen in de sfeer van ontspanning en cultuur, namelijk sportbonden en sportclubs. Met deze selectie wordt getracht recht te doen aan de grote variatie in het Nederlandse verenigingsleven. Het vijfde repertorium is juridisch gedefinieerd: het betreft verenigingen die officieel erkend waren en daardoor de mogelijkheid hadden als rechtspersoon op te treden. De repertoria zullen worden gepresenteerd in de vorm van digitale databanken. Ze zullen zoveel mogelijk basisgegevens bevatten zoals de naam van de vereniging, de plaats van vestiging, de doelstelling en de datum van oprichting en opheffing of van eerste en laatste vermelding. Daarnaast wordt aangegeven van welke verenigingen archieven te raadplegen zijn in openbaar toegankelijke archiefbewaarplaatsen en documentatiecentra. Afhankelijk van het repertorium worden nadere bijzonderheden opgenomen. Behalve voor wetenschappelijke onderzoekers zullen de databanken interessant zijn voor amateurhistorici met belangstelling voor sportgeschiedenis, regionale en lokale geschiedenis. De volgende vijf projecten zullen worden uitgevoerd: * Politieke sociabiliteit, 1780-1880; * Verenigingen voor armenzorg in de 19e eeuw; * Rooms-katholieke religieuze broederschappen in Nederland in de 19e eeuw; * Sportbonden, sportclubs en sportperiodieken in Nederland tot 1940; * Verenigingen, erkend op grond van de Wet op de Vereniging, 1855-1890. |