| Paula Rose biedt in haar proefschrift een analyse van de tekststructuur en de retorische strategieën in De cura pro mortuis gerenda . In dit traktaat, een pleidooi voor toewijding aan de gedachtenis van de doden, verbindt de vroegchristelijke auteur Aurelius Augustinus (354-430) twee vragen over doden die weinig met elkaar te maken lijken te hebben: heeft het zin voor een dode om begraven te worden ad sanctos , bij het graf van een martelaar? En wat betekent de verschijning van een dode die in een droom vraagt om begraven te worden? In het korte traktaat van Augustinus, in 2004 in vertaling verschenen onder de titel Wat kunnen wij voor de doden doen? , gaat Augustinus in op beide vragen. In zijn betoog over begraven ad sanctos vertelt hij een aantal verhalen over verschijningen van doden in dromen en bijna-doodervaringen. In de bestaande literatuur over De cura pro mortuis gerenda is de verbindende rol van de verhalen in het betoog niet opgemerkt. De overstap van betoog naar verhaal wordt doorgaans beschouwd als uitweiding, associatie of thematische breuk. De analyse is gebaseerd op verschillende methodes om de structuur van argumentatieve en verhalende teksten bloot te leggen. Het traktaat van Augustinus blijkt een betoog uit één stuk, waarin Augustinus de locatie van het graf relativeert, maar de aandacht van zijn lezerspubliek vestigt op de plaats die de doden moeten innemen in de herinnering van de nabestaanden. In dit betoog vormen de droomverhalen essentiële bouwstenen. De analyse door Rose van de structuur en verwoording van de verhalende passages werpt nieuw licht op hun argumentatieve functie. Haar methode leent zich ook voor nieuwe interpretaties van andere teksten van Augustinus waarin narratieve en argumentatieve passages elkaar afwisselen, zoals Belijdenissen en De stad van God . |