| Rond 1930 was Nijmegen dé katholieke onderwijsstad van Nederland. Behalve de Ka-tholieke Universiteit herbergde de Waalstad toen ook een drietal katholieke jongensin-ternaten voor gymnasiumonderwijs, waar zoons van katholieke gezinnen uit heel Ne-derland naar toe kwamen om een wetenschappelijke en godsdienstige vorming te ont-vangen. Het Canisius College werd geleid door de jezuïeten en bestond sinds 1900. Het Dominicus College werd in 1856 door de dominicanen opgericht en verhuisde in 1928 vanuit de Nijmeegse binnenstad naar het vlakbij gelegen Neerbosch. Het Alfon-susseminarie dat door de redemptoristen werd geleid, was in 1870 gestart in Roermond en in 1928 verhuisd naar Nijmegen. Deze drie internaten vormen de case studies bin-nen mijn onderzoek. Op grond van archiefmateriaal, interviews en vragenlijsten pro-beer ik een beeld te krijgen van hoe deze scholen in de periode van 1920 tot 1970 hon-derden jongens vormden tot een katholieke intellectuele mannelijke elite. Ik benader de scholen daarbij niet zozeer als instituten, maar als samenlevingen waarbinnen pa-ters, jongens en broeders in wisselwerking met elkaar gezamenlijk vorm en invulling gaven aan een katholieke schoolcultuur. Binnen die samenlevingen zijn grote overeen-komsten, maar ook verschillen en nuances tussen scholen, periodes, paters en jongens te ontdekken. Nuancering van het vaak geschetste historische beeld van het katholi-sicme is dan ook een van de onderliggende doelstellingen van het onderzoek. |