Binnen één partij freesia s kunnen grote verschillen zijn in uniformiteit. Dit komt tot uiting bij de groei en de oogst van freesia s. Hierdoor duurt de oogstperiode lang en is planmatig telen van freesia moeilijk. Er zijn aanwijzingen dat de heterogeniteit al voor het planten aanwezig is in de knollen. In het verleden is gevonden dat door het sorteren op knolmaat een meer uniformer groei ontstaat, maar er blijven grote verschillen in partijen. Naast knolmaat moeten er daarom nog andere factoren zijn die de verschillen in vitaliteit binnen een partij knollen bepalen. Deze factoren zijn echter bij freesia niet bekend. In dit project wordt uitgezocht of het mogelijk is op basis van refractie en percentage droge stof de vitaliteit van freesiaknollen te meten. Voortgang/resultaten Gedurende vijf weken is eenmaal per week een hoeveelheid freesiaknollen gerooid op een praktijkbedrijf. Van deze knollen zijn een aantal kenmerken vanaf oogst tot 19 weken preparatie bepaald. In deze periode nam het gemiddelde versgewicht van de knollen af van 18 gram tot 15 gram, terwijl het gemiddeld droge stof percentage toenam van 40% tot 45%. De refractie nam vanaf de oogst van de knollen tot aan de eerste preparatie week toe van ongeveer 16 tot 24 oBrix. In de verdere preparatietijd van 19 weken nam de refractie 1 à 2 graden toe. Zowel bij het versgewicht, als bij droge stof percentage en refractie was variatie in de gemonsterde partijen groot. Dit kwam ook tot uiting bij de wortelvorming in de knollen. Pas na ongeveer 4 weken waren bij alle knollen wortels zichtbaar. Knollen die laat geoogst zijn, geven in een kortere periode wortels. Dit verschijnsel is ook in de praktijk bij freesiaknollen preparateurs bekend. Er is dus een kortere preparatieperiode mogelijk, echter de totale tijdsduur (kasbenutting + preparatiecel) is gelijk. In de preparatieperiode is geen verandering van mineralensamenstelling van de knollen gevonden.Uit dit onderzoek blijkt dat vitaliteit van de knollen niet op de uitgevoerde manier gemeten kan worden. Echter de uniformiteit van de knollen moet gelet op de toekomstige ontwikkelingen, zoals bij mobiel teeltsysteem noodzakelijk is, verhoogd worden.Er is een sterk verband tussen de refractie en het % droge stof, er is geen verband met het versgewicht van de knollen.De verhouding tussen suikers en zetmeel verandert nauwelijks gedurende de preparatieperiode, alleen op het moment van wortelvorming neemt de refractie (de hoeveelheid suikers) iets af. In het gemiddelde van de gehele partij is dit effect nauwelijks te zien. Er is geen toename in de refractie gevonden voorafgaand aan de wortelvorming.Het tijdstip van planten is nog altijd het best gewoon visueel waar te nemen aan het uitlopen van de wortels. Er moet echter wel naar veel knollen gekeken worden, aangezien er een verschil van minstens 4 weken kan zitten tussen de eerste en de laatste knol die wortel vormt. Uit gesprekken met telers bleek dat de ene preparatie bedrijf een partij eerder plantrijp (bij bv 50 % wortelvorming) vindt dan de ander (bij bv. 90 % wortelvorming).De uitgevoerde metingen waren destructief. Er kan dus niet worden nagegaan of de refractie of het % droge stof een goede maat is voor de kwaliteit van de knollen. Wel zou bijvoorbeeld verschillen in refractie en % droge stof tussen partijen gecreëerd kunnen worden (bv door koudebewaring van enige weken na preparatie). Hiermee kan worden onderzocht in hoeverre eventuele verschillen in refractie leiden tot verschillen in wortelvorming en plantkwaliteit. |